Berichten

HET LAARZENPAD BEGAANBAAR (in Wassergeest)

Het laarzenpad van het Zuid-Hollands Landschap in Wassergeest wordt onderhouden door de Natuurvereniging voor de Bollenstreek (KNNV).

door de redactie

Jaargang 4 nummer 4, oktober 2005

Leden van Natuurvereniging De Bollenstreek hebben weer hun uiterste best gedaan om het zogenaamde laar­zenpad in Wassergeest begaanbaar te hou­den.

Het laarzenpad, dat in Wassergeest een lengte heeft van ongeveer 1100 meter, voert tussen de Loosterweg-Zuid en de Leidsevaart door hakhoutbossen en weilanden. Bij regenachtig weer is het raadzaam om laarzen te dragen. Vandaar de naam. De Natuurvereniging werkt voor het laarzenpad samen met de eigenaar het Zuid-Hollands Landschap. Behalve snoeiwerkzaamheden organiseert de vereniging voor natuurliefhebbers uit Hillegom, Lisse, Noordwijkerhout, Sassenheim. Voorhout en Warmond zoge­naamde groene activiteiten in de vorm van lezingen en excursies. Het laarzenpad is vrij toegankelijk op gemarkeerde paden tussen zonsop­gang en zonsondergang. Toegang is verboden met een motorvoertuig, (brom)fiets of paard, een huisdier en/of een spelend muziekinstrument of apparaat. Verder mag u op het laarzenpad niet het aanwezige vee voederen, dieren veront­rusten, eieren rapen, planten of bloemen plukken, afval achterlaten, vuur stoken, kampeermiddelen of windschermen opzetten, in groepsverband sport beoefenen en/of hengelen.

Het Laarzenpad in Wassergeest. De route begint op de parkeerplaats naast manege Puntenburg aan de Loosterweg-Zuid en voert door bossen en weilanden tot aan de spoorbaan

 

 

GROENE KRUIS IN LISSE HONDERD JAAR JONG

Het Groene Kruis in Lisse bestaat 100 jaar. Naar aanleiding hiervan is er een expositie in de bibliotheek. Pipetten, canules, borstkolven,katheders, ondersteken, enz. Een compleet ziekbed met patiënt en verpleegster is te zien. Dokter Blok stichtte in 1903 het Groene Kruis in Lisse. De kruisvereniging was initiatiefnemer om waterleiding in Lisse aan te leggen. In 1910 zijn berekeningen gedaan om te onderzoeken wat een waterleiding van Haarlem naar Leiden zou kosten. Na de eerste wereldoorlog is de aanleg begonnen.

door Ine Elzinga   

Fotografie: Hans Smulders

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 3, juli 2003

Piëta Bouwman ligt de wijkverpleging na aan het hart. Zij exposeert bijzondere collectie in Openbare Bibliotheek. Haar eigen loopbaan in deze vindt ze niet belangrijk, maar legt wel de basis voor haar interesse in de geschiedenis van het vak. Ze werkt midden twintigste eeuw in de volkswijken van Rotterdam, later op het platteland in de Achterhoek waarna ze voor lange tijd naar Afrika gaat. Terug belandt ze in Wassenaar en in 1991 in Lisse in de Wilhelminastraat: ‘Daar bemerkte ik dat er veel spullen bewaard waren, maar er werd niets mee gedaan.’

Piëta Bouwman zegt: ‘Ik vind het heel belangrijk de materialen van vroeger te bewaren . Het is een herinnering aan de tijd dat de mensen heel solidair met elkaar waren’ Piëta heeft een ziekenfondsbril uit 1920 op haar neus gezet.

Dat was het begin van haar verzameling: ‘Ik vroeg en kreeg toestem­ming om in een opslagruimte van de Valent/RDB, mijn werkgever, een verzameling aan te leggen. Ik vind het heel belangrijk dit te bewaren als herinnering aan de tijd dat de mensen heel solidair met elkaar waren en hard werkten om een goede gezondheidszorg van de grond te krijgen. Er is in een relatief korte tijd ontzettend veel veranderd.’ Het is op 19 augustus 2003 honderd jaar geleden dat Het Groene Kruis in Lisse door dokter D. Blok werd opgericht. Piëta Bouwman werkt aan een expositie met dit thema die eind augustus gepland is in de Openbare Bibliotheek. Niet alleen zullen er uitleenmaterialen te zien zijn. Zij hoopt ook vitrines in te kunnen richten met de oude documenten die ze in Lisse vond.

Dokter D. Blok neemt in 1903 het initiatief om in Lisse een Groene Kruisvereniging op te richten, samen met onder anderen M.de Graaf en F.G.M. Haase. Een belangrijke doelstelling van de vereniging is het voor­komen van ziekten ‘door het opsporen en ter kennis brengen van gemeentebestuur en publiek van invloeden, die de gezondheid der ingezetenen kunnen benadelen en de bevordering van reinheid en ontsmetting.’

 

1903: Dokter Blok sticht Groene Kruis in Lisse

Rond 1900 heerst er enorm veel armoede, de hygiëne is volstrekt onvoldoende. In 1875 heeft de inspecteur van de volksgezondheid, de heer Penninck, in dienst van de regering in Noord-Holland een Witte Kruis vereniging opgericht. Die heeft aanvankelijk vooral tot taak veel voorkomende ziekten als cholera, tyfus en tbc te bestrijden. Het zal vijfentwintig jaar duren voordat kruisverenigingen in andere provincies worden opgericht. Huisarts W. Poolman, bekend met het Witte Kruis, besluit spoedig na zijn vestiging in het Zuid Hollandse Lange Ruigweide iets dergelijks op te zetten. Poolman wint 97 dorpsbewoners voor zijn plannen en op 3 november 1900 heeft Zuid Holland de eerste Groene Kruisvereniging. In 1903 richt dokter B. Blok in Lisse het Groene Kruis op. De verzuiling slaat toe. De katholieken richtten in 1916 het Wit-Gele kruis (de pau­selijke kleuren) op, de protestanten veel later in 1946 het Oranje Groene kruis. Pas in 1980 wordt het kruis ‘ontkleurd’, het kruiswerk is overgebleven.

Urinalen, linnengoed, krukken        

Een heel klein deel van de Bouwman-collectie. Van links naar rechts: een trechter, een verbindingsstuk, een borstkolf, een borstglas (werd gedragen onder de bh om weglekkende moedermelk op te vangen), een irrigatiecanule en een katheter.

De notabelen worden benaderd om geld in te zamelen en de bevolking kan voor enkele centen per jaar lid worden. Allereerst worden verpleegartikelen aangeschaft om uit te lenen. Te denken valt daarbij aan urinalen, krukken, was-kommen en linnengoed. Het eerste magazijn voor uitleenmaterialen is bij mevrouw Van der Veld thuis. Later stelt P.de Vries een deel van zijn woning ter beschikking. Het aantal artikelen groeit. Mejuffrouw C. Scheepmaker die ver­volgens het magazijn beheert, gebruikt zelfs een hooizolder om ligstoelen en ledikanten te bergen. Dat is lastig, omdat men er in het donker niet goed bij kan. In 1923 gaat men in gesprek met de gemeente. Er moet een eigen gebouw komen, het liefst een stenen gebouw met wijklokaal. En een ijskelder. Piëta Bouwman: ‘Een ijskelder was heel belangrijk. IJs werd gebruikt bij iedere ont­steking, er waren nog geen antibiotica. Het ijs werd ’s winters uitgehakt en zo koel mogelijk bewaard, in dubbelwandige ijskisten. Veel kastelen hadden ijskelders. Later kwamen er ijsmachines, maar die waren erg duur.’ De activiteiten van een speciaal in het leven geroepen commissie leidt in 1927 tot de oprich­ting van de aparte Stichting Wijkgebouw Lisse en er komt een gebouw, waar­schijnlijk in de Wagenstraat. Bouwman hoopt dat iemand weet waar het precies was.

Lighalcommissie

Het Groene Kruis is op veel terreinen actief. In 1920 ontvangt de lighalcommissie een subsidie van het gemeentebestuur van maar liefst f 2000,-: ‘Een lighal werd gebruikt voor tuberculose patiënten. Veel Groene Kruis-gebouwen hadden zo’n ruimte bij het wijkgebouw. Je ziet nog wel eens boerderijen die een soort achtkantige glazen uitbouw hebben, dan weetje, daar heeft vroeger een tbc-patiënt gekuurd.’ Het Rooms Katholiek Armenbestuur heeft aan de Schoolstraat een terrein van 50 roeden (l roede is 14 vierkante meter) beschik­baar voor tenminste vijfjaar. Er is f 1700,- nodig om het op te hogen. In juli 1921 wordt het werk aanbesteed. In het jaarverslag over 1923 staat te lezen dat men inmiddels al 25 patiënten heeft ontvangen waarvan er ‘ 13 verbeterd zijn ontslagen’. Men is erg blij met het goede werk dat de eerwaarde zusters van de Rooms Katholieke wijkverpleging verrichten. Bouwman vertelt dat er rond 1850 al door katholieke groeperingen aan ziekenzorg werd gedaan: ‘Maar daar heb ik niets van op papier, ik beschik alleen over de notulen van kruisverenigingen.’

Welgestelden in Klasse I                                                 
Enthousiast bladert ze in de stapel vergeelde, soms getypte, maar meestal met de hand geschreven documenten: ‘Eigenlijk zou ik handschoenen moeten dra­gen. Kijk hier eens wat leuk, een lijst van namen van mensen die in 1912 lid waren van het Groene Kruis. Er waren drie klassen. In klasse I, de welgestelden en donateurs, betaalde een gezin tussen f 5,- en f 25,- per jaar, in klasse II van f  1- en f 5,- en klasse III waren de minvermogenden. Dat waren er in 1912 respectievelijk 29, 220 en 40, voor het jaar 1911 staan in dezelfde volgorde 47, 217 en 35 leden genoteerd.’ Maar voor een goede zorg is er ook in die tijd onvoldoende geld. Het Groene Kruis organiseert allerlei activiteiten om de pot te spekken, zoals oliebollen bakken, fancy fairs en men krijgt geld van de Emmabloemcollecte. In 1911 brengt deze f 11,84 op, in bet meer succesvolle 1912 f59,08: ‘De Lissese collectanten waren zeer actief en collecteerden zelfs in Nieuw Vennep. Dat werd ruzie toen de Noord Hollandse collectanten voor het Witte Kruis op hun beurt ook in Lisse langs de deuren gingen. Men diende elkaars grondgebied te respecteren!’

Ze geniet van het taalgebruik in de oude documenten: ‘In dit stuk wordt er gemopperd over de manier waarop de mensen met de uitleenmiddelen omgaan.

In een rubberen IJszak mogen geen grote stukken ijs worden fijngeslagen, en bij de windringen, dat waren met lucht gevulde ringen om doorzitten te voorko­men, staat vermeld dat deze niet tegen speldenprikken kunnen! Er is toen besloten dat er voortaan f l,-  staangeld’ moest worden betaald, dat was een soort van borg. Daarna is het beter gegaan.’

Radarbrancard

Overal in het land zijn kruisverenigingen heel actief op een breed terrein om de doelstellingen te bereiken, maar het tempo waarin zaken worden gerealiseerd, is afhankelijk van de gemeentelijke omstandigheden. In 1907 doet in Lisse al een brancard haar intrede, een soort bakfiets waarvan de bak een afneembare brancard is. Vanaf 1908 is er gezinsverpleging, in 1916 wordt kraamzorg gere­aliseerd en kunnen geïnteresseerde vrouwen een bakercursus volgen. Het zal nog tot 1926 duren voordat Lisse een consultatiebureau voor zuigelingen heeft. De gemeente Den Haag opende als eerste in Nederland in 1901 al zo’n bureau. Men is tevreden over het bezoek: ‘De moeders nemen de adviezen ter harte,’ staat in een verslag genoteerd.

Drinkwater

Begin twintigste eeuw is er nog geen sprake van waterleiding en riolering. Bouwman: ‘Het Groene Kruis heeft zich ook wat dat betreft ingezet om verbe­teringen aan te brengen.   Het Groene Kruis concludeerde uit zelfgenomen steekproeven met watermonsters uit de regenwaterputten dat de kwaliteit beslist onvoldoende was. In 1910 zijn er voorstellen gedaan om te berekenen wat de aanleg van waterleiding van Haarlem tot Leiden zou moeten kosten., maar er gebeurde niet veel. Pas na de Eerste Wereldoorlog is men aan de slag gegaan. Men was geschrokken van de vele maag- en darminfecties in Lisserbroek ten gevolge van het slechte drinkwater.’ De inhoud van de beerput werd een eeuw geleden evenals de vuilnis in een open kar met paard vervoerd: ‘De regel was wel dat dit bij windstil weer diende te gebeuren. Pas later vervoerde men de fecaliën in een afgesloten wagen naar een ommuurd terrein. Uit stukken van 1928 blijkt dat dit vervoer toen ’s nachts gebeurde, daags erna kon men aan de sporen die op straat waren achtergebleven, nog wel nagaan wie er met een bezoek van de ophaaldienst was vereerd.’

Solidariteit

De verworvenheden van vandaag zijn in belangrijke mate gebaseerd op de breed gedragen solidariteitsgedachte van de mensen onder elkaar en de bijzon­dere inspanningen van de mensen in de gezondheidszorg. Honderd jaar geleden begonnen, zij hebben wat te weeg gebracht.

BEGRAFENISVERENIGING ST. BARBARA JUBILEERT

In 1902 werd de begrafenisvereniging Sint Barbara opgericht. De geschiedenis van de vereniging wordt besproken.

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 2, april 2003

Arie in ’t Veld

Foto’s uit het archief van Sint Barbera

Op 18 november 1902 werd op initiatief van kapelaan De Korte in Lisse een vereniging opgericht waarbij van begin af aan bekend was dat het geen vrolijke boel zou worden. Het was de begrafenis­vereniging St. Barbara. Uit nood geboren eigenlijk, want meer en meer bleek dat het welhaast on­doenlijk werd om bij een overlijden alleen maar te kunnen steunen en vertrouwen op de zogenoemde burenhulp.

Alleen wat het begraven op zichzelf betrof hoefde dat niet. Dat kon goed worden geregeld, want meestentijds fungeerde de koster tevens als uitvaartverzorger en was er vaak wel een tuinman in de buurt die een graf kon delven. Maar al met al bleef het behelpen. Tot de Begrafenisvereniging St. Barbara werd opgericht. Een geweldig initiatief en alhoewel niemand graag stil staat bij het gegeven dat de enige zekerheid in dit leven is dat de dood er een einde aan maakt, werd in menig huishouden over het lidmaatschap nagedacht. Goed, het kostte (letterlijk) een paar centen per week, maar dan was je er ook van verzekerd dat als het moment was aange­broken, er een beroep gedaan kon worden op de inzet en kennis van zaken van een vereniging die zonder winstoog­merk de gehele uitvaart kon verzorgen. Voor een kwartje per jaar, in één of twee termijnen te betalen, werd je lid. Dat sloeg aan, want onmiddellijk schreven zich 55 mensen in als lid. Om niet helemaal met lege handen te staan, werd op de eerste bestuursvergadering van maart 1903 besloten om een voorschot uit de afdelingskas van de Rooms Katholieke Volksbond te aanvaarden voor de aanschaf van hand­schoenen en rouwstrikjes voor de dragers.

Heden overleed...

Organisatorisch viel er echter nog heel wat te doen, want men beschikte wel over een flink portie enthousiasme, maar de verenigingskas was leeg. Er moest worden gespaard voor de nodige voorzieningen. In het begin was dat overigens niet veel anders dan een paar capes die iedereen, groot of klein, pasten en een kamerscherm waarachter de overledene, meestal thuis, werd opgbebaard. En dat thuis opbaren was geenszins gemakkelijk. Sommigen beschikten

over een gescheiden voor- en achterkamer, zodat men de overledene in een aparte ruimte kon opbaren. Heel veel huizen hadden echter niet eens een slaapkamer. De bedstede was voor het opbaren van een overledene natuurlijk niet geschikt. Twee stoelen en daartussen een deur boden dan uitkomst. Timmerman van Zon uit De Engel kwam dan langs om de maten van de overledene te nemen en korte tijd later werd die reis herhaald. Maar dan met de handkar en daarop de kist. En: de klok moest stil, de kachel uit en als het even kon de ramen open. En als het allemaal niet uitkwam, dan werd de overledene bij een buur of familie­lid opgebaard. En vervolgens ging de aanzegger de deuren af. In plaats van kaarten… In vol ornaat en met de steek op het hoofd werd in de omgeving aangebeld en op statige wijze de overlijdensboodschap verkondigd. Te beginnen met de woorden: ‘Heden overleed…’

De deur én het boek dicht

Drager wordt je niet uit roeping. Het is ook geen vak en geen liefhebberij. Drager word je in verreweg de meeste gevallen, omdat je dat wordt gevraagd. Een oud-drager van de St. Barbara vereniging weet zich te herinneren: ‘En we hebben het meegemaakt dat we met twee man de kist met een overledene moesten transporteren. Dat was kunst­en vliegwerk. De hele familie stond in de gang toe te kijken en allerhande opmerkingen te maken, maar niemand stak ook maar een enkele vinger uit. Sterker nog: bij de voordeur hield het helemaal op. De deur werd achter ons gesloten en daarmee was voor de familie kennelijk het boek dicht, want niemand getroostte zich de moeite om naar het mor­tuarium te gaan en de werkelijke begrafenis mee te beleven. Natuurlijk hebben we over zoiets wel een mening, maar dat, laten we nooit blijken en we laten ons er ook niet tegenover derden over uit’. Er brak een keer paniek uit in het bejaardentehuis de Pius (waar nu het Uitvaartcentrum Lisse staat). De drager: ‘Op een gegeven moment bleek dat de rouwkamer finaal in elkaar was gezakt en dat de overledene nog maar nauwelijks was terug te vinden. De zaak stond (het was allemaal  armoe en dus behelpen in die tijd) opgestapeld op kisten en werd hier en werd daar een beetje gesteund. Kennelijk heeft iemand bij het weggaan tegen zo’n kist gestoten of per ongeluk geschopt, waardoor de zaak is gaan wiebelen, om uiteindelijk helemaal om te vallen.’ Het gezegde luidt dat rangen en standen met de dood vervallen, maar met name in vroegere jaren was dat bepaald niet het geval. Ook niet bij het begraven. Verschil in de financiële mogelijkheden was natuurlijk al snel zichtbaar aan het gebruikte transportmiddel voor het vervoer van de overledene. Dat was bijvoorbeeld de koets. Verschil in klasse (en dus in geld) was er tevens in het aantal dragers en de kerk kende eveneens de diverse klassen. Aan de bewoners van het bejaardenhuis Huize Pius werd indertijd bijvoorbeeld meegedeeld dat Klasse 1A het hoogst was en dus ook het kostbaarst. Daar waar de Missen in de andere klassen als gezongen H. Mis werden aangekondigd, werd in deze klasse gesproken over de ‘plechtig’ gezongen H. Mis. Dat betekende concreet: Drie heren en een koor en ook zingen tijdens het wegdragen van de kist. En bij Klasse 1A werd ook het altaar geheel in het zwart overtrokken en alles sfeervol aangekleed met gordijnen en lopers, alsmede het plaatsen van 48 kaarsen. Kosten: 350 gulden, inclusief klokluiden, beaarding op het kerkhof, grafrecht en grafmaken. Klasse 1B was nagenoeg hetzelfde, maar het woordje ‘plechtig’ was niet aan de orde. En dat kostte dan vijftig gulden minder. Het goedkoopst was Klasse 3B, met een gezongen H. Mis, het altaar gedeeltelijk zwart bekleed en tien kaarsen. Daar moest men het dan maar mee doen.

Een foto uit de oude doos (1955): zo werd Henri Kuijpers begraven, de grondlegger van de Katholieke Illustratie, een tijdschrift dat in geen enkel katholiek gezin ontbrak. De overledene werd plechtig ten grave gedragen op de  begraafplaats achter de Agathakerk. Voorop een kapelaan met het kruis, daarachter vier misdienaars met wierook en wijwater, daar achter de pastoor en een tweede kapelaan. De
kist is op de schoudersbgenomen door zes dragers. Achter de pastoor lopen enkele zangers.

Hoge zijden

De statige ‘kachelpijpen’ die de hoofden van de dragers sierden, de hoge zijden hoeden, zorgden overigens wel vaker voor (ingehouden) hilariteit. Zoals de hoed van de drager die kennelijk wat te royaal op z’n hoofd zat en pardoes het graf inwaaide net voordat de kist zou zakken. Een pijnlijk moment natuurlijk, maar desalniettemin werd de procedure gestopt, zodat de ongelukkige man in het graf kon klauteren om zijn hoofddeksel terug te halen.

Wijwaterballet

Als drager speel je een rol. Onbekommerd laat je alles wat je hoort en wat je ziet over je heen gaan. Het tonen van emotie is niet aan de orde. En dat is wel eens moeilijk. Zoals die keer dat meneer pastoor pittig met de wijwaterkwast zwaaide en door de een of andere oorzaak het wijwater in niet geringe hoeveelheden alle kanten uit spetterde. De in zijn nabijheid staande rouwenden waren kletsnat. De overvloed werd veroorzaakt door een drager die hulpvaardig het emmertje wijwater vasthield, maar het ding even iets omhooghaalde op het moment dat de pastoor de kwast er in doopte. Het behoeft geen betoog dat deze drager achteraf stevig door het bestuur is onderhouden over zijn kunstje. Maar soms gaan de dingen ook als vanzelf. Zoals die keer dat de St. Barbara vereniging een begrafenis in Haarlem verzorgde. Niks aan de hand natuurlijk, want de vereni­ging had op het moment dat dit verzoek kwam, al heel veel ervaring opgedaan. Maar je kon natuurlijk wel eens van het pad raken. Zoals in Haarlem letterlijk gebeurde. Tot buiten de kerk ging alles goed, maar daarna ging het mis met de drager die voor de stoet uit het kruis torste. Een taak die het nodige aan respect en concentratie vergt. Je ziet en hoort dus niet alles. Zeker niet, zoals deze drager, als je ook nog aan de doverige kant bent. Eenmaal op het kerkhof liep de man in de richting van een hoop zand in de veronderstelling dat zich daar het pas gedolven graf zou bevinden. Het gesis en de op zachte toon aangegeven waarschuwingen hoorde hij niet. Op een gegeven moment ging het rouw­gezelschap dan ook een andere kant uit terwijl de kruis­drager rechtstreeks richting zandhoop bleef koersen. En daar stond hij dan. Geheel alleen.

In de kist

De dood en begrafenissen spreken ons levenden niet zo aan. Het liefst gaan we er in een grote boog omheen, ondanks de wetenschap dat de dood onvermijdelijk is. Maar er zijn ook mensen die er geen enkele moeite mee hebben om tijdens het leven alvast de nodige maatregelen voor hun overlijden te nemen. Zoals die man die alvast op zoek ging

Een vooroorlogse lijkkoets in vol ornaat getrokken door twee omfloerste aarden
op de Heereweg met op de achtergrond het oude stadhuis van Lisse. Daarnaast de kosterswoning van de Hervormde Kerk. Die heeft de slooplust in de jaren zestig wel doorstaan.

naar een kist naar zijn smaak en deze liet opslaan. Een tijdje later kwam hij terug met het beslag en toen was wat hem betreft de zaak voor elkaar. Er is zelfs ooit eens een persoon geweest die ver voor zijn verscheiden een kist aanschafte, deze naar Lisse liet komen en in de kist klauterde om te ervaren of het allemaal wel paste en hij comfortabel kwam te liggen.

Maar niet alles is van tevoren te regelen. Zoals bij de man die oorspronkelijk in Lisse woonde, maar naar Australië was geëmigreerd. Najaren werd Nederland weer bezocht. Maar daar waar vreugde over het weerzien moest heersen, kwam groot verdriet, want de emigrant overleed in zijn geboorte­dorp. De kinderen wilden het stoffelijk overschot persé in Australië hebben. Dat gaat echter niet zo maar. Besloten werd toen om vader te cremeren, waarna de urn met daarin de as op de retourticket van de overledene in de cockpit van het vliegtuig is teruggevlogen.

 

LISSE TOEN: BLOEMISTKNECHTS STAKEN VOOR 16 GULDEN LOON PER WEEK

Besproken wordt het resultaat van diverse stakingen in 1913 en 1914. Uiteindelijk werden de partijen het eens over een loon van 16 euro. De staking duurde 14 dagen.

Arie in ’t Veld

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 1, januari 2003

De arbeiders in de bloembollen-sector (de bloemistknechts) heb­ben vele jaren op de barricades vertoefd om betere arbeidsvoor­waarden te bereiken. Dat ging lang niet altijd zonder slag of stoot en ook hadden die inspanningen niet altijd succes, maar de arbeiders hadden een machtig wapen ont­dekt en wierpen dat in de strijd. Er werd gestaakt! En voor dat fenomeen hadden de werkgevers begin 1900 respect. En na de staking in 1913 en de bijna-staking in 1914 klauterden de arbeiders opnieuw op de barri­caden. Eerste Wereldoorlog is uit­gebroken. Nederland staat daar buiten, maar aan de omhoog schietende prijzen zou je dat niet zeggen. De lonen zullen dus ook moeten stijgen.

Eis: 17,75 gulden per week

In 1917 componeren de drie landarbeidersbonden een voorstel dat opnieuw een loons­verhoging beoogt. Men wilde een loon van ƒ 17,75 per week. De werkgevers menen dat vijftien gulden genoeg is, maar zijn later bereid tot ƒ 15,50 te gaan. De arbeiders zakken naar ƒ 17,- en als de ondernemers dan verklaren dat ze niet verder wensen te gaan dan ƒ 16,- barst de bom. Op 10 april 1918 is de staking een feit. De werkgevers laten weten dat de staking vóór de 15e april opgeheven dient te zijn, want anders zal men voor het

gehele gewest de ‘uitsluiting’ afkon­digen. Het helpt niet veel. De werk­gevers vormen geen eenheid. De ene firma doet wel mee aan de uit­sluiting van arbeiders die gestaakt hadden en de ander niet. Bij de sta­king zijn ongeveer 1100 arbeiders betrokken.

Twee weken

Uiteindelijk werden de partijen het eens over een loon van ƒ 16,-. Het conflict dat in totaal veertien dagen duurde, behoorde hiermee tot het verleden.

Bloemistknechts aan het werk op het veld. Ze verwijderen kwaadbodems, abnormaal groeiende hyacinthen met een houtje, snotkoker, emmers en afgedekte kruiwagens, (foto: collectie Arie in ’t Veld, mei 1923)

Lisse toen: De bloemistknechts op de barricaden

Rond 1900 werden de arbeiders in de Duin- en Bollenstreek steeds mondiger. De nieuwe arbeidsorganisatie Flora in Hillegom werd in 1900 opgericht. Zij hadden diverse eisen, maar men kwam niet overeen met de werkgevers.


Tekst en foto: Arie in ’t Veld

NIEUWSBLAD Jaargang 1 nummer 3, juli 2002

 


Aan het begin van de twintigste eeuw, rond 1900 dus, werden de arbeiders in de Duin- en Bollenstreek steeds mondiger. Meer en meer durfde men voor de eigen belangen op te komen. Niet altijd met succes overigens en soms zelfs met een desastreuze afloop, omdat de werkgever zo’n opspelende arbeider nogal eens gewoon op de keien zette. De neutrale arbeidsorganisatie Flora, die in 1900 in Hillegom werd opgericht, mocht al gauw enkele successen boeken. Zo kreeg men het voor elkaar dat men zaterdag niet meer tot ’s avonds zeven uur moest werken, maar tot ’s middags vier uur. Een hele verbetering. Na dit succes vloeide onmiddellijk meer leden toe en al gauw werd ook in Lisse een afdeling opgericht.
Een en ander had tot gevolg dat ook de werkgevers zich gingen aansluiten. De Patroonsvereniging werd opgericht. Dit had tot gevolg dat er meer kansen tot overleg tussen werkgevers en werknemers kwamen. Tot ernstige moeilijkheden kwam het aanvankelijk niet. Maar toen de werknemersorganisatie in 1913 enkele wensen kenbaar maakte, barstte de bom. De arbeiders wilden dat de nor­male arbeidsdag zou zijn van ’s ochtends zes tot ’s avonds zeven uur en in de donkere maanden, waarin men natuurlijk niet om zes uur kon beginnen en men eerder naar huis moest, omdat men niets meer kon zien, wilde men van ‘licht tot donker’ werken. Voor de periode van l november tot l maart vroeg men twee uur en voor de overige maanden twee en een halfuur schafttijd per dag. Bij ziekte zou dertien weken lang min­stens het halve loon doorbetaald moeten worden. Voor overwerk vroeg men een kwartje per uur. Dat was voor de werkgevers alle­maal te veel van het goede. Men bedankte voor de eer. Er zou nog heel wat water door de Rijn stromen voordat men tot elkaar kwam.

Het sorteren van de bollen na de oogst

LISSE TOEN: BARBIER: 5 CENT

Aan het begin van de twintigste eeuw gaf de Federatie van Bloemistwerklieden  Verenigingen een lijst uit, waarop stond wat een gezin  per week kon uitgeven. Het gangbare weekloon was 9-10 gulden.

Tekst en foto: Arie in t Veld

NIEUWSBLAD Jaargang 1 nummer 2, april 2002

Aan het begin van de vorige eeuw gaf de Federatie van Bloemist-werkliedenverenigingen een lijstje uit, waarop stond wat een gezin van een bloemistknecht, bestaan­de uit zes personen, per week kon uitgeven. Het gangbare weekloon was 9-10 gulden.


Huur……                                    2,00

Steenkolen                                0,60

Turf……..                                   0,20

Petroleum…                             0,36

Brood…….                                 2,25

Margarine…                             0,60

Melk, l Itr per dag.                 0,56
Suiker……                                0,25

Koffie……                                 0,40

Aardappels..                           1,00
Vet, l,5ons/p.dag.                 0,80
Zeep………                               0,11

Wasmiddelen..                      0,10
Zout………                              0,06

Garen, band..                        0,15
Schoeisel….                           0,50

Ziekenfonds..                        0,20
Onderst.fonds.                     0,10
Begrafenisfonds                  0,17
Brandverzekering               0,02
Belasting….                          0,08

Schoolgeld (2 kinderen)    0,15

Contributie bond.               0,05

Lectuur…                              0,10

Tabak..                                  0,10

Barbier…                              0,05

Totaal                                   10,96

Op dit uitgezuinigde, beknib­belde, schrale budget was geen enkele post uitgetrokken voor drank, schoonmaakartikelen, boven- en onderkleding, aarde­werk, spek en vlees, groenten, beddengoed, meubelen en kos­ten van ziekte of bevalling! Wanneer er dan ook “iets wezen moest” bezuinigde men maar op het eten. Allemaal maar een snee brood minder, een aardappel minder, wat water bij de jus en bij sommigen een oneindig poffen, lenen bij leen-vrouwen. Ook bij het pandjes-huis was menigeen een bekende.

 
 
 
Bloemistknechts in hyacintenveld (1920)

LIISSE TOEN: SCHRAALHANS IN DE BOLLEN

Rond 1900 werden de vakbonden in de bloembollenteelt opgericht. De arbeiders verdienden erg weinig en konden zo maar ontslagen worden. Er was dus veel werk te doen.

door Arie in ’t Veld

Nieuwsblad Jaargang 1 nummer 1, januari 2002

In verreweg de meeste gezin­nen van de werkers in de bol­len, de bloemistknechts, was schraalhans indertijd keuken­meester. De enige rijkdom bestond meestal uit een grote kinderschare. Die vele monden vullen was een schier onmoge­lijke taak en zo gauw zoon of dochter “werkensgereed” was, kon deze aan de slag voor de huishoudportemonnee.

Er was dus volop te doen voor de pas (rond 1900) ontsta­ne bonden, die zich middellijk na de oprichting op het fenomeen “Vrouwenarbeid in de zomer” stortten. Dan ging het dus om het bollenpellen.

Daaraan moest een einde komen “om de zedelijkheid zoo veel mogelijk te beschermen….” Wat men zich daarbij nu precies moest voorstellen, is niet duidelijk.

In 1906 zette de Lissese Bond St. Gregorius het onderwerp Jongelingenarbeid hoog op de actielijst. Men kwam tot de conclusie dat het “mest kruien, karre met een kar, rietdragen en dergelijke man’s werk is” en dat “Jongelingenarbeid” pas werd toegestaan als de jongelieden de leeftijd van twaalf jaar hadden bereikt.Wat betreft de lengte van de arbeidsdag, die wilde men beperkt zien van 06.00 tot 19.00 uur en niet meer van zonsop­gang tot zonsondergang!

Arbeiders in de bollen. De foto is omstreeks 1900 gemaakt. Er werden zo goed als geen machines gebruikt. De handen vormden het gereedschap. Foto: Archief A. in ’t Veld