Berichten

De waterwolf eindelijk getemd

In de Nieuwsbladen van de VOL nummer 4 van 2019 en nummer 1 van 2020 staan 2 delen over de Waterwolf, die het Haarlemermeers was. Deze artikelen van A. de Koning zijn danig veranderd en ingekort ten opzichte van het originele artikel. Het originele artikel is hier vermeld.

Complete dorpen werden door het water verzwolgen en aan alle kanten vrat de waterwolf grote stukken oeverland weg.

 door Arie de Koning.

30 april 2020

Wat voor wereldbeeld had de laat middeleeuwse inwoner van Lisse en zijn kinderen in het steeds veranderende landschap om hem heen. Die veranderingen waren zeer ingrijpend aangezien het merengebied, waar Lisse deel van uit maakte, zich met een razend tempo uitbreidde ten koste van in cultuur gebracht land. Complete dorpen werden door het water verzwolgen en aan alle kanten vrat de waterwolf grote stukken oeverland weg. Dat overkwam Crijn Pietersz van Nieuwerkerck aan den Drecht, een dorp in het noorden van de Oude Haarlemmermeer. ’s Avonds laat plaatste hij een fuik aan het einde (het schor) van zijn tuin en toen hij deze ’s morgens weer wilde ophalen was zijn complete achtertuin van 10 vadem, ca 20 meter, door de storm van die nacht weggeslagen, incluis zijn fuik. Ter illustratie: het Oude Haarlemmermeer, het Leidse Meer, het Spieringmeer en de Oude Meer tesamen waren in 1531  groot 5600 Ha. Zestig jaar later, in 1591, bedroeg de watermassa tesamen 10570 Ha.

KIJK OP DE WERELD VAN EEN LAAT- MIDDELEEUWSE LISSER

Het schijnt dat er niemand ongerust is geworden dat het Meer in 60 jaren bijna twee keer zo groot is geworden en dat is opmerkelijk. Het was immers zo klaar als een klontje dat het water niet uit zichzelf zou stoppen met het veroveren van land. Men sprak toen van “So claer als de zon in de middach,” want witte suikerklontjes bestonden toen nog niet. In 1745 is de Meer zelfs 16600 Ha groot geworden terwijl er toen daarvoor toch op alle aangevallen punten voldoende zware oeververdedigingen waren geplaatst. Dat dacht men.

In een boek van A.A. Beekman, “de strijd om het bestaan” lezen we op bladzijde 241; “kon men in 1531 nog er tusschen” (tussen het Leidse en Oude Haarlemmermeer) door van Hillegom naar Amsterdam en van Haarlem naar Aalsmeer komen, reeds in 1591 waren zij tot één groot Meer aangegroeid en was het dorp de Vijfhuijsen, gelegen in het noordelijke deel tusschen Spiering en Lutke meren, erdoor verzwolgen”.”Enkel de kerk is gespaard gebleven.” “In 1647 had het zich vergroot tot 14450 Ha en verdwenen er nog twee dorpen; Nieuwerkerck aan den Drecht en Rietwijck of Rijk, beiden in het noorden gelegen.””Ook de Ambachten Polanen en Raasdorp in het uiterste noorden  zijn dan nagenoeg verdwenen.”  Evenals de buurtschappen Boesingeliede en Ransdorp.

De bodem van de Meren bestond uit veen  met daaronder een vette kleilaag en de losgewoelde veenstof werd, voor zover zij niet als teelaarde gebruikt werd door de boeren, door de uitwatering bij Spaarndam gestadig naar zee afgevoerd. De rivier het Spaarne welke door Haarlem stroomde raakte op den duur verstopt en er moest flink worden gebaggerd om de lucratieve scheepvaart in het Spaarne te laten voort zeilen. De grootste klappen vielen aan de oostzijde van het Meer. De polder van Aalsmeer verdween nagenoeg in zijn geheel. Kostbare werken als oeververdediging werden door Rijnland uitgevoerd maar deze verloren de strijd met het water. De Staten van Holland besloten in 1767 om Rijnland te helpen en trok een som uit van 1.800.000 guldens voor het plaatsen van oeverversterkingen. Zelfs Utrecht droeg hier aan bij. In Aalsmeer was de vreugde hierover zo groot, dat er een jaarlijkse “Dank en Bededag” werd uitgeschreven. Tot 1795 werd deze dag gehouden, ook in Lisse. Het onderhoud van de bijgeplaatste werken alleen bedroeg van 1771 tot 1845 al 1.700.000 guldens. Maar zoals goede kooplieden dit plachten te doen, bracht bij de drooglegging van de meer de gebruikte paalwerken, puinstortingen etc bij verkoop nog 107.745 guldens op.

In een lijvig boekwerk “de Batavia Illustrata”, uitgegeven in 1685, vinden we op bladzijde 104 een verhandeling van ene Symon van Leeuwen* welke de situatie zoals deze in ca 1500 was beschrijft.

“Voor hondert ende tagtig jaer, waren de Leijtse en Haarlemmer meeren noch maer met eene gemeene Wetering, ter loosinge van het Rhijnlantse water, gescheiden en liepen noch eenige kleijne weteringen dwars door ’t landt, dat meest poel ende moeras was, naar ’t huijs ter Hart (Huis Zwanenburg te Halfweg), so dat Ransdorp (’t welck nu eene maal in den meer verdronken en weggespoeld is) hem strekte tot aan ’t Eylandeken, dat men nu de Vennip nomt, en tussen de uyterlanden van den Ruijghenhoeck maar een kleijne doortogt was, daar een veer en overtogt lag, om van het vaste land van Hillegom, door Aalsmeer, Rijk ende Slooten tot in Amstelland te konnen rijden en aan den Rhijnsaterwoudse sijde tot Woerden en Uytregt te komen. Daar van niet lang geleden een oude kaart, door bevel van Hoogheemraden van Rhijnlandt in ’t jaer 1508 doen maken, gesien heb, daarbij vertoont wierd, dat een man met een kodde** droogvoets van Rhijnsaterwoude tot aan het vaste landt van Hillegom konde over komen.”

*   Symon van Leeuwen stierf in 1682 en zijn werk werd na zijn dood uitgegeven. Hij praat dus over het jaar 1500

** Een kodde is een oude benaming voor een polsstok, ook wel verrejager genoemd

De situatie werd met name voor de gebieden in het oostelijke en noordelijke deel van de meer  steeds nijpender. Aalsmeer, Rijnsaterwoude en Leimuiden werden ernstig bedreigd en omdat het in die plaatsen meest uitgeveend land was en dus erg diep lag, zou zich een enorme ramp voltrekken als zich hier een doorbraak zou voordoen.

Geografische blik

Het lijkt me goed om eens een geografische blik op de omgeving van Lisse te werpen en met name die dorpen welke aan het Meer lagen en waar hoogst waarschijnlijk  zich regelmatig mensen uit Lisse lieten zien voor zaken of familiebezoeken. Naaste buur  van Lisse in het noorden is eeuwen lang het Ambacht Vennep geweest. Weggedrukt tussen Hillegom en het Meer kreeg het al eeuwenlang de sloperspraktijken van het Meer over zich heen en kromp ieder jaar wel een beetje. Hoe zit dat met de Vennep? Het bestaat al eeuwenlang want in een charter van 7 november 1327 schenkt Dirck van Kuik, Burggraaf van Leiden, aan Hendrik van Heemskerck twintig morgen land, ”die gheleghen sien in myn Ambocht, ende hiet die Venp, daar an die ene zide leghet Airnds van Waterland, ende an die ander zide leghet Jacob Airnds, streckende ’t een ende ander an die Mere ende ’t ander an die Hout”. Het hier geschonken land is een strook land in de richting Oost-West, daar de grens van het ambacht Vennep Noord-Zuid liep. Dus liep de oostelijke grens van het Haarlemmer Hout ook ongeveer Noord-Zuid en was er dus met zekerheid reeds in het begin van de veertiende eeuw een strook weiland beoosten de Hout. Het Meer waarover hier gesproken wordt is het Leidse Meer en zijn oever liep toen reeds bij het ambacht Vennep ongeveer in Noord-Zuidelijke richting. Op 6 juni 1552 werden het Ambacht en de Heerlijkheid Vennep door  Margaretha van Roon, weduwe van Zegelijn van Alveringe, Heer van Hofwijk verkocht aan de stad Leiden en in de beleningsbrief vinden we de zelfde grens als boven beschreven. Uit opmeting door de landmeter van Merwen in opdracht van de stad Leiden, blijkt dat ook het eiland Vennep tot dit ambacht te behoren. Hieruit volgt dat reeds in 1327 dit eiland van het vaste land los is geraakt, anders was de omschrijving wel verandert. Reeds in de 10e eeuw wordt melding gemaakt van Vennep in een goederenlijst van de Sint Maartenskerk te Utrecht. Hierbij schenkt de Duitse keizer Otto het land en de visrechten van Vennep aan deze kerk. In Uennapan totum sancti Martini” en “In Getzeuuald in flumine Fennepa omnis piscatio sancti Martini”. Uit het bovenstaande wordt duidelijk dat de landtong tussen het Oude Haarlemmermeer en het Leidse Meer aan de westkant moet hebben vast gezeten aan het ambacht Hillegom dat benoorden Vennep lag. Merkwaardig was dat in 1544 Vennep tot Sassenheim werd gerekend. De reden daarvan was dat zij beiden dezelfde ambachtsheer, de Burggraaf van Leiden, hadden. Anders is dit niet te verklaren, want zij grensden niet eens aan elkaar. In een charter van 30 maart 1339 wordt door graaf Willem IV onder andere “het dorp ende Ambocht van Hillighem mit Vennpe, datter toe hoert,” geschonken aan Arnout, zoon van Witte van Haemstede. Nu wordt het moeilijk, want dit Vennpe is niet het ambacht Vennep, want dat was in leen bij de Leidse burggraven wat blijkt uit een oorkonde van 2 april 1339, waarbij Phillips van Wassenaar, beleend werd met het Burggraafschap van Leiden en met alles wat er toe behoort. Het genoemde Vennpe blijkt Burggravenveen te zijn, aan de oostelijke kant van het Meer. Dat blijkt uit hetzelfde Groot Charterboek waar gesproken wordt over “dat tiendekijn tot Burchgravenveen of up die Vennp.” Burggravenveen blijkt dus soms Vennp ge-noemd te worden. Dat het aan een Vrouwe van Voorne behoorde welke tevens Burggravin van Zeeland was volgt uit een charter van 1540 in het Archief van het Hoogheemraadschap van Rijnland, waar gesproken wordt van “Groot en Cleyn Burchgravenveen, alias der vrouwe Ambocht van Voorn.”

In het charter van 30 maart 1339 wordt gesproken dat de Vrouwe van Voorn in leen gekregen had van graaf Willem III, Hillighem ende Vennep (dus Burggravenveen). Maar deze graaf stierf op 7 juni 1337  en de Heerlijkheid Voorne, met het bij behorende Burggravenschap van Zeeland, werd pas op 30 september 1337 aan Machteld van Voorne, echtgenote van Dirck heer van Montjoie en Valkenburg in leen gegeven, terwijl het voor die tijd in mannelijke handen was. Machteld van Voorne kan dus niet de eigenaresse zijn geweest. Het was dus Katharina van Durbuy, de weduwe van de in het jaar 1287 overleden Albrecht van Voorne. Katharina treedt op als Voogdes Vrouwe van Voorne. Zij kreeg tussen 1287 en 1291 van graaf Floris V de leengoederen van Teijlingen, die toen door het uitsterven van de rechte lijn van dat huis aan graaf Floris V waren terug vervallen.

Katharina van Durbuy, dochter van Gerard van Luxemburg en Machteld van Kleef, stierf op 26 september 1328, hertrouwde in 1297 als weduwe van Albrecht van Voorne, met Wolfert I van Borselen, heer van Veere. Wolfert is niet lang met haar getrouwd geweest, in 1299 werd hij in Delft na een conflict met het stadsbestuur gelyncht. Wolfert had zich naar de zin van de Hoge Adel te veel macht toegeëigend als regent voor de jonge zoon van Graaf Floris V, Jan I van Holland. Het schijnt dat Gerard Dever, de vader van Reinier Dever, heer van Lisse, betrokken was bij de moord op Wolfert.

Haar beide echtgenoten waren burggraaf van Zeeland, twee belangrijke edellieden in Holland en Zeeland. Als Vrouwe van Voorne, Vrouwe van Teijlingen en burggravin van Zeeland was zij een zeer prominente vrouw in Holland en Zeeland. Zij wordt genoemd als mogelijke minnares van graaf Floris V, volgens de bekende historicus Fruin, maar dit wordt niet door bronnen ondersteund, privé zaken werden meestal niet opgeschreven, er bestond ook nog geen tijdschrift als Privé. Na haar dood verviel Teijlingen weer aan de graaf van Holland.

Op 30 maart 1339 werd “Hillighem met dat Vennep, welk er toe behoorde,” door graaf Willem IV weer in leen uitgegeven aan Arnout van Haemstede en op 31 maart 1339 het huis Teijlingen en de ambachten Voorhout en Lisse aan heer Simon van Benthem en zijn vrouw Agnes van Bokel. Na hun overlijden vervielen deze lenen weer aan de graaf. Lisse had na de Benthems nog vele andere heren.

Er was dus van alles te doen over het ambacht Vennep. Er hebben zich in de loop der tijd geen of maar enkele mensen op de eilanden gevestigd, zoals blijkt uit de lentebeden. In het jaar 1345 werd er nog 20 schellingen af gedragen maar daarna niet meer: “daer wonen geen huysluyden.” Vanaf het vaste land van Hillegom liep de Venniperlaan naar het schiereiland Vennep waar een veer zorgde voor overtocht over het stroompje Fennepa naar de oever van de overkant genaamd ’T Veer. Dit veer was eigendom van de heer van Teilingen. Vandaar kon men via de landtong over droog land oversteken naar de Ruijgenhoek en zo via Aalsmeer naar Amsterdam en Utrecht of via Leimuiden Amstelland in rijden. Ook bestond er een droge route vanaf Haarlem en Vijfhuizen naar ’T Veer.

Het derde eiland, Beijnsdorp genaamd, was het grootste. Het bestond hoofdzakelijk uit hooiland en werd verder niet bewoond. De enige bebouwing was een ruïne van een molen en een provisorische schuilhut. De eilanden werden door het water langzaam verzwolgen en zijn uiteindelijk geheel verdwenen in het water, Beijnsdorp het laatst.

Op 8 oktober 1689 hebben, volgens de Resolutieboeken van Lisse, mr. Adriaan van Gorcum, Schout van Lisse, met de Burgemeesteren en ambachtsbewaarders van Lisse, Jan Vlaanderen den Oude, Vegter Janse van Wetteren, Cornelis Fransse Kok  ende Adriaan Quirinse Geel, Burgemeesteren, en Henrik Janse Hoogkamer en  Maarten van ’t Hoog, met de Schout van Vennep, Joan Gijs, en enige ingelanden van Vennep, te samen met Burgemeesteren van Leiden, de eigenaren van de Vennep “tot vermijdinge van moeilijkheden ende om goede nabuurschap te onderhouden”, de grenzen van Lisse en Vennep vastgestelt door middel van het plaatsen van “scheytpalen”. Dit gebeurde aan boord van  het jacht van de hoge heren van Leiden waarna het accoord is ondertekend in het Rechthuis van Lisse.

Opvallend was dat Burgemeester Adriaan Geel en Ambachtsbewaarder Henrik Hoogkamer, beiden van Lisse, niet konden schrijven, maar zij ondertekenden met een merkteken. Dat de grensbepaling geschiedde vanaf een schip, zegt iets over de toegankelijkheid van het gebied, moerasland omgeven door water.

In 1724 is op last van de Burgemeesteren van Leiden een kaart vervaardigd met als titel:

“Kaerte van Suyt-Hollands grootste deel, vervattende geheel Rhijnlandt en Suytkennemerlandt, mitsgaders een gedeelte van Delftlandt, Amstellandt ende het Sticht van Uytrecht, vertoonende alle de Steeden, Dorpen, Casteelen, wegen, uytwateringen en Sluysen. Hierin is mede te sien hoe eertyts de Haerlemmermeer ende Leytschemeer van één gescheyden waaren, en geen gemeenschap en hebben gehat met de Spieringmeer. Oock hoe men met de Wagen konde ryden van Haerlem door Vyfhuysen en Nieuwerkerck na Amsterdam en Uytrecht. Mede van Hillegom over de Vennep (alwaer men aen ’T Veer met een Schouwe wierde overgeset) ende rijden konde door Aelsmeer, Rijk ende Slooten naer Amsterdam alsmede op Uytrecht. Ende was toen der tyt het vastelandt van den Ruygenhoeck tot aen ’t vernoemde Veer.” Dit is nog maar de helft van de titel van de kaart, die ik u verder besparen zal, die  op wat spellingfouten na, zeer nauwkeurig is vervaardigd.

Een landmeter van Rhijnland, Melchior Bolstra, heeft deze kaart gebruikt bij metingen in 1739 en 1740 en heeft daarin de watergrenzen van 1531 en 1591 ingetekend. De groene lijnen op de ingekleurde kaart is de grens van 1746 en daarop wordt duidelijk welke enorme hoeveelheid land door het water is verzwolgen. Amsterdam begon zich nu serieus zorgen te maken over die enorme vijver in zijn achtertuin. Het was inmiddels 1746 en eigenlijk waren zij met die zorgen een eeuw te laat.

Kaart van Bolstra uit 1739 waarop de Haarlemmermeer staat aan gevenenen.

In het Gemeente Archief van Haarlemmermeer bevindt zich een kaart, nagenoeg een kopie van die van Bolstra waarop ook de wegen (in rood) zijn weer gegeven, welke volgens overlevering sinds mensenheugenis daar lagen of gelegen moeten hebben. Het zijn er niet veel, maar het is interessant te zien dat zij gelegen waren waar zich even later veelal water bevond. Ongeveer over de lengteas van de kaart loopt de Windel, Winckel of Weldijk, van Abbenes naar het noordoosten draaiende naar de Nieuwe Meer. Een tweede weg, loopt vanaf de grens tussen Lisse en Hillegom naar het zuidoosten draaiende naar Aalsmeer en een derde; van Hillegom via Vennep en ’T Veer naar Ruige Hoek en Burggravenveen. Deze route is het langst in gebruik gebleven maar is ook verdwenen in de golven.

In het noorden twee wegen. Eén liep van Sloten naar het dorp Vijfhuizen langs de Scheytpenning van Nieuwerkerck an die Dregt. Hierbij staat “Langs deze weg heeft men op Haerlem gereden” en de andere weg liep van Sloten  naar de Vijfhuizerhoek en Zuid Schalkwijk. Helemaal bovenin de Trekvaart  Haarlem – Amsterdam en aan de linkerkant de Trekvaart Haarlem – Leiden.

In het Gemeente Archief van Haarlemmermeer bevindt zich een kaart, nagenoeg een kopie van die van Bolstra waarop ook de wegen (in rood) zijn weer gegeven, welke volgens overlevering sinds mensenheugenis daar lagen of gelegen moeten hebben. Het zijn er niet veel, maar het is interessant te zien dat zij gelegen waren waar zich even later veelal water bevond

Het eiland in de oude Haarlemmermeer, Beinsdorp genaamd, behoorde tot de Banne van Leimuiden. Waarschijnlijk was dit historisch gegroeid toen Beinsdorp nog aan het vaste land vast zat. Het was onbewoond, slechts 78 Hectare groot en werd verpacht als Hooiland. Er stonden volgens beschrijvingen twee vervallen watermolens en een schuilhok. Dit was in 1543. In 1582 vinden we dat het eiland geminderd is en dan nog maar 62 Hectare groot is bevonden. In rap tempo was het meer bezig Beinsdorp te slopen. Toch is het eiland als laatste overgebleven samen met Abbenes in het verenigde meer.

Het volgende dorp is Hillegom en daar is genoeg over gezegd.

Dan gaande in noordelijke richting ligt Bennebroek. Dit kleine dorp aan het Meer heeft een rijke historie. Rond 1300 strekte het oorspronkelijke gebied van Bennebroek zich uit vanaf de Valckslootlaan te Hillegom tot voorbij de huidige gedempte Oude Gracht in hartje Haarlem en belend door wat nu de Heemsteedse Binnenweg is. Het gebied viel grotendeels onder de belening van de Heer van Heemstede, de steenrijke Heer Jan Scheven van Bennebroek. Deze Edelman bouwde zich een kasteel op de hoek van de tegenwoordige Gedempte Oude Gracht en het Spaarne, net buiten de kersverse muren van de eveneens kersverse Stad Haarlem waarvan de mortel nog niet was uitgehard. De Haarlemmers konden de grap niet waarderen, het benauwde ze want zo konden zij niet uitbreiden. Daarom werd de familie Scheven weggekocht waarna zij in Leiderdorp verder meanderden. Het gebied wat bedoeld wordt met Bennebroek  krimpt in de volgende eeuwen drastisch ineen. Rond 1653 is de Glip min of meer het centrum (Prinsenbuurt). Tot die datum behoord Bennebroek bij de Ambachts Heerlijkheid  van Heemstede van de bekende Adriaan Pouw. Pouw blijkt zijn gigantische  nalatenschap goed geregeld te hebben . Bennebroek werd toegewezen aan zijn zoon Adriaan Pouw en Heemstede aan de andere de oudste zoon,  Gerard Pouw . Dat gebeurde in 1653. Bennebroek bouwde zich een Kerk waardoor questie ontstond met de Kerk van Heemstede welke ruzie jarenlang het dorp lam legde. We komen zelfs mensen uit Lisse tegen: mr. Jacob van Dorp, handelende als notaris te Bennebroek,  hij was Schout van Lisse en Alida van Rijm, beëdigd Vroedvrouw in Bennebroek en Lisse. (1772) En het bestuur van het dorp Bennebroek vergaderden in “de Zwarte Hond” die  als Regthuijs dienst deed. Veel inwoners van Bennebroek  vonden werk in de Blekerijen, vanwege het zuivere duinwater daar gevestigd. Via Heemstede komen we bij de ingang van de rivier het Spaarne “de Voorburgh” met zijn Tonne of lichtbaken. In het Haarlemmermeer lag ter hoogte  van Heemstede het Eiland Myent welke de oevers van Heemstede in zekere zin beschermden.  Aan de overkant ligt Zuid Schalkwijk. Aan de westoever van het Spieringmeer lagen Zuid Schalkwijk en Vijfhuizen en aan de oostzijde Nieuwerkerk aan de Drecht. Sedert het begin van de 16e eeuw was de oever van Nieuwerkerk niet meer met de overzijde verbonden. De woningen in dit gebied stonden verspreid, de grootste concentratie werd (in de 17e eeuw) aangetroffen langs het Zuider Buiten Spaarne. In Vijfhuizen stond een enkele woning aan het Spieringmeer; de huizen in Nieuwerkerk aan den Drecht stonden verspreid over dit schiereiland. In dit gebied woonden overwegend veehouders ofschoon er ook vissers woonden. Want voor 1610 was de visvangst op het Lutkemeer vrij. Na 1610 werd deze gepacht door de stad Haarlem. De ambachtsheerlijkheden Zuid Schalkwijk, Vijfhuizen en Nieuwerkerk hebben tot in de 16e eeuw een eenheid gevormd met Rietwijk en Rietwijkeroord. Het dorp Nieuwerkerk aan de Drecht is in de loop der eeuwen door het Haarlemmermeer verzwolgen.

Daarvoor was de Kerk in 1467 al in oostelijk richting zover verplaatst als men een wit paard kon zien of onderscheiden. Men dacht dat de Kerk hier veilig zou zijn.  Hiermede werd ook de parochiegrens verplaatst  waardoor de inwoners van Vijfhuizen en Noord-Schalkwijk wegens de gevaarlijke weg naar Nieuwerkerk aan den Drecht in Haarlem ter kerke konden gaan. Ook waren er geen vaste in het dorp wonende geestelijken meer in de steeds kleiner wordende dorpen. In 1690 spoelde Kerk incluis Kerkhof weg en was alle moeite voor niets gebleken.

Toen Nieuwerkerk aan den Drecht na 1680 bijna geheel verdwenen was, werd Zuid-Schalkwijk de voornaamste plaats in het Ambacht. Voor 1510 heeft er tussen beiden zijden van het Meer een oeververbinding bestaan. Deze weg werd de Herenweg genoemd. Deze weg is voor 1505 goed begaanbaar volgens getuigenverklaringen uit die tijd, met kon met paard en wagen gebruik maken van de Herenweg. Na 1510 is er geen directe oeververbinding meer. Op 24-09-1509 vond er een dijk doorbraak plaats in de dijk langs het IJ bij Halfweg. Een gevaarlijke situatie was ontstaan. Dit gat bleef tot de zomer van 1510 open, er was geen geld voor reparatie! Inwoners van Nieuwerkerk aan de Drecht en Rietwijk hebben in de winter 1509-1510 nog pogingen gedaan het gat in de Herenweg te dichten, het gat bij Halfweg bleef echter open tot de zomer zodat de dichting in de Herenweg, die uit puin en rijshout bestond, door de eerste echte storm van 26 mei 1510 weer werd weggeslagen. Het was om moedeloos van te worden. Het gat bij Halfweg werd hierop gedicht. Men had een Kogschip gekocht en deze het gat in laten varen en dat pakte goed uit. De Herenweg besloot men niet meer te herstellen. De andere oever, de westelijke, minder te lijden van de afkavelingen. De meest westelijke oever van Zuid-Schalkwijk  werd pas na 1640 aangevallen nadat het onder Heemstede  ressorterende eiland Myent compleet was weggespoeld. Ter illustratie: Nieuwerkerk aan den Drecht had anno 1838 nog maar één huis over en lag op 48 Hectare grond. We gaan verder naar het noorden.

De ingezetenen van Sloten, Sloterdijk, Osdorp, Houtrijk, Polanen, Spaarnwoude en Hofambagt waren belast met het onderhoud van de belangrijke Spaarndammerdijk. Zoveel dorpen zoveel meningen, binnen de kortste keren was er “questie” ofwel ordinaire ruzie. Er kwam een bovenlokale instantie, het Hoogheemraadschap van Rijnland die de zorg voor de dijk overnam. Op 5 maart 1578 voor Spaarnwoude, Hofambacht, Houtrijk en Polanen en op 28 mei 1593 kwamen Sloten en Sloterdijk  onder het Waterschap. Dit bleek een goede zet te zijn. De ambtenaren en bestuurders  van het Hoogheemraadschap hadden er een hoofdtaak in en geen neventaak zoals bij de Ambachten. Zo’n Hoogheemraadschap ontstond uit een zg “Eening een vrijwillige aaneensluiting van belanghebbende grondeigenaren. Rechtspraak en Bestuur bij bovenlokale water aangelegenheden waren in handen van het Hoogheemraadschap. De voorzitter trad op in naam van de Landsheer de Graaf en werd de Dijkgraaf genoemd. Dat het Hoogheemraadschap  macht bezat wordt duidelijk  wanneer men een bezoek brengt aan het museum in Leiden. Daar bevinden zich een galg en meerdere soorten brandmerken als verlengstuk van hun macht. Of ze ooit gebruikt zijn weet ik niet.

Nieuwerkerk aan den Drecht, Vijfhuizen en Schalkwijk behoorden tot de eerste Ambachten die tot het Hoogheemraadschap van Rijnland werden gerekend.

Lisse

Ieder dorp gelegen in de nabijheid van de meren had last van afslag van zijn landen. Ook Lisse ?, ja ook Lisse.  Het gehele Ambacht Lisse was in 1583 groot 1321 Hectare. Nu bleek in dat jaar dat er in de Lisserbroek en de Roversbroek in totaal 10 Hectare land te zijn weggeslagen. In 1615 leverden Schout en Ambachtsbewaarders van Lisse, een Request in bij het bestuur van Rijnland om remissie over morgengelden voor 42 morgen en 129 roeden. Het is niet vanwege de nagemeten verloren landen, maar door de verschillen in de totaalsom tussen de landmeters Balthasar en van Edam dat het bestuur van Lisse de vermindering afleidt. Het is dus nog geen bewijs dat tussen 1588 en 1613 dat werkelijk heeft bedragen en bovendien is het ongeveer zes keer zoveel als de normaal geleden afslag van land. Niet bekend is of het bestuur van Lisse remissie heeft gekregen. De afslag van Lisse tussen 1544 en 1613 is niet 42 morgen, maar zij moet evenredig zijn geweest aan die van 1544 tot 1587 en die bedroeg 10 Hectare, dus komt het geheel op zo’n 16 Hectare. Zeg maar ‘ietsje’ minder dan de ruim 37 Hectare welke Lisse in het Request zegt te zijn verloren. Hierin is begrepen de afslag van de Roversbroek, dat toen een eiland was, aan beide zijden. Dit kan nooit veel zijn geweest aangezien de Poel, welke aan de westzijde van de Roversbroek lag, een tamelijk smal water was, en het Kagermeer en Langerak, aan de oostzijde gelegen, hoewel veel breder, door hun ligging niet veel schade konden aanrichten aan de Roversbroek. We kunnen voor het gedeelte van Lisse vanaf de Greveling tot de grens met het ambacht Vennep, dat is een goede 2500 meter, met een gerust hart 15 Hectare afslag aannemen, met die verstande dat de afslag in het noorden bij de grens met Vennep groter zal zijn geweest dan bij de relatief beschutte Greveling.

Lisse had dus niet zoveel last van afslag van land, maar voelde wel de consequenties van het verdwijnen van wegen naar de grote steden. Met paard en wagen moest nu worden omgereden naar Hillegom waar men op de Vennep werd overgezet door het veer en zo naar de Ruigehoek kon rijden. De bevolking van Lisse was eigenlijk al eeuwen lang aangewezen op Leiden waar zij ook goede contanten mee onderhield. De drie Hoofdkerken van Leiden hadden immers ook land en belangen in Lisse. Deze route was (nog) niet bedreigd door het water van de verenigde meren al stond het water in Sassenheim regelmatig in de straten van dit buurdorp. Lisse lag hoger dus had daar geen last van. Het heeft voordelen “op” Lis te wonen.

In het “Haerlemmermeer Boeck” van Jan Adriaensz Leeghwater, welke werd uitgegeven in 1641, laat hij verscheidene mensen aan het woord welke getuigenis afleggen over de ingrijpende veranderingen welke plaats vonden in de regio. Zo vertelde de Secretaris van Sloten dat zijn grootvader wist te vertellen dat men de Kerk van Rijk niet meer tegen het water kon beschermen. “Zoo resolveerden deze boeren te zamen, wederom een Kerk, die nu ook weer is weggesleten, in het noorden in te setten, so verre als men een wit Paert konde sien ofte beogen, ende sy meinden alsdan dat sy nu en altyt, van het water van de Meer bevrijt soude wesen, welke heel anders gebleken is.”

Ook een getuigenis van Schippers; “onlangs geleden, dat aldaar ontrent een stuk lants weggedreven is daar vijf bomen opstonden ende wossen  (verleden tijd van gewassen) alsoo de Schippers getuygen, die over de Meer voeren en het selve gesien hebben.”

Ook een inwoner van Lisse komt voor in het boek. “Ryckje Jansdr. tuychde dat sy wel heeft gekent eene Claes Hendricxsz die plach te wonen tot Lisse, wiens vader genaempt Heyn Leech selve met een kodde ofte verrejager van Ruygen Houck hadde gegaen ende gesprongen tot opde Vennep, ende liep so door tot Hillegom te Kercken, sonder daertoe eenige schuyt off schip te gebruycken, sulcx de voorsz. Claes Hendricxsz tegens haer, getuyge, wel hadde geseyt.” Het moet een grappig gezicht zijn geweest al die slootje springende mensen in het nog droge gedeelte van het latere Haarlemmermeer. Naar de kerk gaan met een polsstok!

Opvallend is dat veel van die getuigenissen gaat over de bijzonder nauwe doorgang tussen Vennep en ’T Veer. Een geroeide boot kon er niet tussen door, de spanen kwamen dan op het land, en passeren was helemaal niet mogelijk.

Er is ook nog sprake in de morgenboeken van Rijnland, van een eiland “Myent” dat onder Heemstede lag. Dat eiland was in 1544 nog 6 Hectare groot en was in 1645 gereduceerd tot twee kleine stipjes op de kaart, die tesamen niet meer dan een tiende Hectare waren. Heemstede en de oever van Zuid Schalkwijk kreeg door het verdwijnen van Myent nu de volle kracht van het meer en de afslag van die oever nam zienderogen toe. Noordooster stormen teisterden de eindeloze watermassa welke met lange aanlopen hun verwoestende krachten lieten botvieren op de oeverversterkingen die het niet konden winnen van de kracht van de vlottende watermassa. Het aloude Huys te Heemstede kwam gevaarlijk dicht bij het water te staan en werd in feite alleen nog beschermd door de Voorburgh, een schiereiland bij de uitmonding van het Spaarne in het Haarlemmermeer. Ook het iets zuidelijker gelegen Bennebroek, toen nog Benningbrouck genaamd, had het nodige te stellen met het water. Ingeklemd tussen de bossen van het Haarlemmer Hout in het westen waar vandaan regelmatig ernstige zandverstuivingen kwamen met de westenwinden en het Oude Haarlemmermeer in het oosten, verloor zij steeds meer land. Met name ter hoogte van het Man Pad, waar Bennebroek op zijn smalst is, was een gevaarlijke situatie ontstaan. Het Hoogheemraadschap heeft op deze plek dan ook diverse keren de waterkeringen hersteld evenals bij Vijfhuizen. Dit laatste dorp, welke voor het eerst werd vermeld in 1531, is in zijn geheel verdwenen behalve als eerder vermeld de Kerk, die is gespaard gebleven.

Door de mens is het Meer wel geholpen om zijn vraatzucht te bevredigen. Het ontgraven van turf in de nabijheid van de oevers was niet bevorderlijk voor het behoud van die zelfde oevers. Natuurlijk wist men dat het fout was met de ontvening door te gaan, maar er speelden te veel belangen. In 1392 is er al een poging gedaan om het te verbieden en in het archief van het Hoogheemraadschap van Rijnland  vind men tal van keuren en ordonnantiën daar over.

Met name de stad Leiden was gebaat bij zoveel mogelijk uitvenen en het liefst zo dicht mogelijk bij de oevers. De kans op vereniging van de meren was dan het grootst. Leiden torpedeerde iedere poging tot verbod op het turfsteken en had als reden daarvoor dat de arme huijsluyden dan geen werk en turf meer hadden. Dit was niet helemaal de waarheid. Leiden had forse inkomsten uit de visrechten én de veenrechten, welke het bezat voor de zuidelijke meren en wilde deze niet zomaar prijsgeven. Het was eigenlijk dagelijks bagger gooien tussen de Vroede Heren van Leiden en het Hoogheemraadschap van Rijnland. Natuurlijk waren er zoals altijd vindingrijke figuren welke probeerden onder de verbods bepalingen uit te  komen.

Zo lezen we in een Keure van 18 september 1638 van het Hoogheemraadschap van Rijnland;

“Also tot kennisse van Dyckgrave ende Hooge Heemraden van Rhynlandt was ghekomen, hoe dat eenighe personen hun onderstaen, om een kleyne prijs, eenighe veenackers in de veenambachten op te koopen, ende deselve ackers inde lenghte van sestich, vijfftich, veertich ende meerder roeden onderwater weten los te sagen, ende met een bequame wint, achter hare scheepen vast te maken ende in andre quartieren ende Jurisdictiën te vervoeren ’t zy de selve Ackers aende Meeren of binnens ’s landts ghelegen syn, maakende so groote plassen van water tot merckelijcke prejuditie van alle de landen in ’t gemeen, ende contrarie den Placcate. Soo ist.”

 Door deze Keure werd een boete in het vooruitzicht gesteld van 140 ponden en dat was een boel geld in die tijd. Het bleek dat de inwoners van Lisse ditmaal niets met deze fraude van doen hadden, maar de boosdoeners werden gezocht en gevonden in Leimuiden.

De vraatzuchtige meren zorgden voor voldoende gespreksstof. Toen in 1840 Jonkheer van der Poll de eerste spade in de grond stak bij Hillegom en een start maakte voor de bedijking van het Meer, trok dat ook internationale belangstelling.

In het in de 19e eeuw bekende Duitse tijdschrift Die Gartenlaube stond een artikel  wat genaamd was;

“Vergrabene und Versunkene Schätze” door R. Zander;

“Vermeldenswaardig zijn de edelmetaalschatten die bij de ondergang van de Spaanse Armada  voor de Nederlandse kust in de Noordzee verzonken zijn en welke nieuwe schatten rusten op de bodem van het Haarlemmermeer. Intussen is deze binnenzee droog gelegt, maar men heeft geen schatten gevonden, ofschoon de wrakken van de gestrande Spaanse oorlogsschepen zijn bloot gelegt. Het schip in kwestie moet dan ook op volle zee gezonken zijn. Maar de bronzen scheepskanonnen van de Spanjaard waren evenzo goed en konden als een metaalschat dienen”.

 De Duitse schrijver was blijkbaar slecht op de hoogte van de situatie ter plaatse. Het is toch wel ontzettend onmogelijk dat een Spaans zeekasteel zou verdwalen en zinken in het Haarlemmermeer.

Toch was wel te verwachten geweest, dat na de drooglegging de bodem van het Meer een Eldorado voor archeologen zou zijn geweest. Aan de oevers van het water hebben sinds mensenheugenis mensen geleefd en in de laatste eeuwen zo’n dertig tot veertig duizend zielen.

Op het meer is menig schipbreuk geleden en menig gevecht uit gevochten, waarbij vele Hollandse en Spaanse matrozen hun graf hebben gevonden in het water van het meer. Toen het meer bedijkt was en het water weggepompt, is de bodem in alle richtingen doorsneden met sloten en wegen. Oudheidkundigen waren in de stellige overtuiging van een rijke oogst. Nou dat viel zwaar tegen.

De enige overblijfselen van mensen welke gevonden werden bestond uit één of twee scheepswrakken, wat Hollandse en Spaanse wapens, wat potjes en kruikjes en enige muntstukken uit de Spaanse tijd. Maar er is geen enkel stoffelijk overschot van mensen gevonden in de Haarlemmermeer. Wel schijnt de verloren gewaande fuik van Crijn Pietersz van Nieuwerkerck te zijn teruggevonden gevuld met graten van vis.

Sight aan de Haarlimmermeer genaamt Lis Pieter Idserts 1689-1781 Collectie Historisch Archief Haarlemmermeer

 

Bronnen: Haerlemmermeer Boeck van Jan Adriaensz, Leeghwater 1643

Omvang Haarlemmermeer en de meren waaruit ontstaan, J.C. Ramaer 1892

Gemeente Archief Lisse, Resolutieboeken van Schout ende Burgemeesteren.

Archief Hoogheemraadschap van Rijnland

A.A. Beekman: strijd om het bestaan

  1. Ramaer: Haarlemmermeer

©2019 Arie de Koning

 

 

 

 

 

 

 

HET KAN VRIEZEN EN HET KAN DOOIEN

Koos Groen in ’t Woud beschreef een aantal strenge winters in de eerste helft van de twintigste eeuw.

door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 4 Herfst 2018

Al winterkriebels? Een gezegde luidt: Is oktober warm en fijn, het zal een scherpe winter zijn, maar is het nat en koel, ’t is van een zachte winter een voorgevoel. Dat belooft wat! Koos Groen in ‘t Woud beschreef een aantal van die strenge winters.

Koos Groen in ’t Woud

Wie was Koos Groen in ’t Woud

Koos groeide op aan de Lisserdijk. Het huis staat er nog, onderaan de dijk bij restaurant Puck. Drie broers had hij, bonken van kerels en daarom geschikt voor het zware veenwerk. Zelf was hij een klein ventje, ongeschikt voor dat werk, dus maar naar de ulo voor een kantoorbaan. Zo begon hij, als 18-jarige in 1922 bij de Hobaho en na 4 jaar bij de H.B.G. aan de Gracht. Tegen hetzelfde salaris als bij de concurrent, nl. 960 gulden per jaar. Bij de H.B.G. werkte hij tot zijn vroege dood in 1950. Zijn dagboek en zijn fotoalbums worden gekoesterd door dochter Ina van Leeuwen, zelf inmiddels op de leeftijd der zeer sterken. Koos beschrijft strenge winters in de eerste helft van de 20e eeuw. Daar worden stukken van weergegeven. Om het tijdsbeeld een beetje extra te duiden zijn wat inleidende teksten toegevoegd. De liefde voor schaatsen had Koos niet van een vreemde. Zijn vader, ook Koos, was in 1914 een van de oprichters van de ijsclub “Kagermeer”. Koos jr. kwam na zijn huwelijk in 1930 op de Broekweg in Lisse te wonen.

De winter van 1916/1917

Op internet is een leuke film “Holland in ijs – 1917” te zien. Houten schaatsen, kinderen op klompen, priksleeën, klederdrachten, hoeden, petten, wollen kousen, nog veel scheepvaart. De film geeft een mooi sfeerbeeld van ijsplezier 100 jaar geleden. Ook in onze omgeving heerst ijskoorts. Een ijsbaan wordt sneeuwvrij gemaakt bij de Hellegatsmolen. Een groentekist met blokjes om de afstanden uit te zetten staat klaar. Maar wanneer dat aan de beurt is blijkt de kist verdwenen. Opgestookt in een kachel. Nederland was dan wel neutraal, maar de Grote Oorlog bracht ook hier brandstof- en voedseltekorten en armoede met zich mee.

Uit het dagboek

Op 16 januari werd onze grootmoeder begraven en toen was het al zeer koud met bovenwind. Alle vaarten en meren zijn toen sterk geworden. Zoo reden er auto’s, wagens links en rechts over het Kagermeer. De winter duurde toen wekenlang en wel ongeveer de geheele maand februari uit. Op een nacht vroor het 23o wat wel de strengsten vorst was in dien winter. Dooi kwam eindelijk en zonder regen of wind is het ijs vergaan.

De winter van 1921-1922

De schoolkinderen uit de Buitenkaag gingen in deze tijd meestal naar school in Sassenheim, door weer en wind, over de Sassemerpont en dan lopend over de 3e Poellaan verder naar school. Ook onze dagboekschrijver ging in Sassenheim naar school. Mensen waren indertijd veel meer met het weer bezig. De Enkhuizer Almanak wordt vaak geraadpleegd. Nov. ‘21 stond in het Leidsch Dagblad een stuk met allerlei weerwijsheden. Zoals “Wanneer Kerstmis op Zondag valt, dan volgt er een zwakke winter, wanneer Kerstmis op Maandag valt enz. enz”. In 1921 viel Kerstmis op zondag. Het dagboek laat van de voorspelling weinig heel. In 2018 valt Kerst op dinsdag en volgens het krantenbericht is het “Valt Kerstmis op Dinsdag dan is de winter zeer koud” . Daarentegen voorspelt de Enkhuizer Almanak geen strenge winter. We zullen zien. Terug in de tijd een deel uit het dagboek .

Uit het dagboek

De winter van 1921-1922 was ook streng te noemen en kwam verschillende malen in een periode terug. Begin Nov. begon het te vriezen. Den 28en November hebben we toen al schaatsen gereden. 4 Dec. waren er al 2 arren op het ijs achter de Binnen-Kaag. Ik kan mij nog heel goed herinneren hoe mooi toen het ijs was. Ik ben toen over de geheele Kagerplassen gereden en op sommige plaatsen was het ijs zoo zwart en doorschijnend dat men de visschen zag zwemmen en ook andere waterbewoners zooals torren enz. Op ondiepe plaatsen zag men den bodem. Het was een eng rijden, want het geleek alsof er geen ijs lag, zoo glad en hard was het. 2 Febr. was het ijs bijna weg. Den geheelen dag regende het zeer hard met een binnen wind. Langs deze kant van het Faljerel hadden nog geen booten gevaren. Toen zeilde een schipper met zijn schuit er het eerst door want er zat nog maar een dun laagje ijs. ‘s Middags draaide de wind en ’s avonds vroor het weer. Dien nacht jachtsneeuwde het en den volgenden morgen vroor het ontzettend. Woensdag 15 Febr. dooide het en ’s avonds kladsneeuwde het uit het Zuiden. Op 5 April sneeuwde het den heelen middag. ’s Morgens alles onder 1d.M. sneeuw. Op goeden Vrijdag 14 April was de eerste zoele dag. Boomen en gras, alles was nog kaal.

De winter van 1928/1929

Begin maart 1929. Tussen de wedstrijden door is er tijd voor koek en zopie, tijdens de nationale ringrijders wedstrijden. De man in het midden met hoed is Koos Groen in ’t Woud.

Het waren goede tijden voor de bollenteelt. De H.B.G. bood in oktober een diner aan omdat een recordomzet van 1.500.000 gulden was bereikt. Het seizoen bood volop werk, maar voor wie in de wintermaanden geen werk had werd het sappelen. IJspret is heerlijk, maar zo’n lange winter is eendrama voor wie thuis kwam te zitten. Bijverdienen als baanveger was zeer welkom. Er waren ook speciale wedstrijden voor behoeftigen. De ijsclub organiseerde in Lisse 2 wedstrijden voor hen, goed voor 700 gulden aan levensmiddelen en kleren als prijzengeld.

Uit het dagboek

 

De 180 meter hardrijden was spannend tot aan de meet bij het Leeghwater gemaal.

Dit is de winter die alle records van de laatste jaren heeft geslagen. In deze periode zijn alle koudste temperaturen overtroffen en is de veelbesproken winter van 1891 verslagen. Op Nieuwjaarsdag is het begonnen met vriezen, zoodat op 6 Januari voor het eerst op slooten en tochten werd gereden. Het was in het eerste begin erg kwakkelig. Als het ijs goed was begon het weer te dooien en dan weer te vriezen. Op 8 Jan. was het mistig, vriezend weer. ’s Nachts kwamen wij van de soirée bij v. Eerden (de Nachtegaal) en toen was alles dik onder den ijzel. 10 Jan. ben ik op Keukenhof geweest om naar de ijzel te zien. Het was een onvergetelijk gezicht als men hier vanaf den Achterweg naar Keukenhof ging. Alles was zoo zeldzaam mooi.

Zwieren en zwaaien of liever schoonrijden bij de Hellegatsmolen. Onder de armen door is de Grote Poelmolen te zien. De wedstrijden waren zo een beetje daar waar wel vijf gemeenten hun grenzen kruisten. Lisse, Warmond, Sassenheim, Binnen/Buiten Kaag en Abbenes, een soort vijf landen punt.

Vooral de Spekkelaan was mooi. En ook in het bosch de diverse groepen boomen en dennen en hagen enz. 12 Jan. was er hardrijden op de Gracht. Na afloop reden de drie beste Sassenheimers tegen de beste Lissers. De Sassenheimers wonnen alle drie. 18 Jan. is er hardgereden in de Binnen-Kaag. De baan was van Bart Loogman naar Lombok (eilandje). Het ijs was met een dikke laag sneeuw bedekt. Het was nog zoo dun dat als er 5 á 6 personen bij elkaar stonden, het begon te kraken van nog eens zoo. De gevolgen bleven dan ook niet uit. De geheele ijsbaan liep onder water. 31 Jan. ben ik naar een uitvoering in de Binnen-Kaag geweest. Het zat daar zo vol drijfijs dat Verhoog zijn pont naar Tromp gesleept had en probeerde de menschen zonder draad over te zetten. Maar het ging niet. ’s Nachts waren wij bij de eerste pontlading. Wij zaten midden op het Kanaal en ik dacht dat wij nooit meer aan den kant zouden komen, maar wij kwamen toch aan wal. Nu krijgen wij de befaamde koudegolf van Zondag 10 Febr. tot Zaterdag 16 Febr. 10 Feb. den geheelen dag vriezend. s’Nachts harder dan in de laatste 35 jaar. Men sprak dat er 7 cM. ijs gevormd was. In dezen nacht is de groote Bloemententoonstelling bevroren. Deze werd gehouden bij gelegenheid van het 50 j. bestaan der Alg. ver.v.Bl. Cult. in H.B.G. Alle bloemen hingen slap. Vele konden het nog ophalen maar veel moest vernieuwd worden. Alle palmen welke de zaal opsierden waren weg en dit was een waarde van 4 á 5000 gulden. 11/12 Febr. is het Leidsche stadhuis afgebrand. De brandweerlieden werden levende ijspoppen. Alles bevriest binnenshuis. De lucht blijft helder en sterken boven wind. Woensdag 13 Febr. geraakte nog een 7 tal personen in een open slob bij de Binnen-Kaag. Alle werden gered. Dat dit slob nog open was kwam omdat daar Zondags een busboot gedraaid was en dat gat ging door den sterken wind niet dicht al vroor het nog zoo hard. Donderdag begint het uit het Zuiden fijn te sneeuwen. De sneeuw was zoo fijn als stof en schitterend. Vrijdag 15 febr. sneeuwstorm. Geen weer om schaatsen te rijden. 18 Febr. was het hardrijden voor de armen. 20 Febr. ging ik ’s avonds om 8 uur in de lichte sneeuw naar Warmond. Daar was het gecostumeerd ijsfeest op de Leede. Er was veel volk op het ijs. Onderweg reden de auto’s en fietsen met licht op, op het ijs voorbij. Het was helder vriezend weer. Op ons kantoor uit den wind, in de zon en de kachel full speed brandend, bleven de bloemen op de ramen staan tot 12 uur. ’s Avonds als de zon zakte kwamen ze er weer op. Alle huizen hadden de dikste bloemen op de ramen, den geheelen dag. Verschillende malen werd men wakker van de kou. Toch sliep ik onder 6 dekens, plus jassen enz. ’s Morgens naar Lisse op de fiets had ik mijn geheele gezicht in een wollen sjaal waar steeds een plakkaat ijs op zat. Soms moest ik van de fiets om mijn handen te beuken, bang dat ik was dat de vingers bevroren. De lucht was zoo ijl dat men op de fiets naar zijn adem hijgde. De tranen die uit de oogen vielen bleven als ijs op het gezicht zitten. In verschillende steden in Holland zetten de gemeentebesturen kachels en stookplaatsen in de openlucht. Ook werden op verschillende plaatsen groote hoeveelheden warme maaltijden verschaft aan arme menschen, zoo b.v. door de Vincentius ver. welke groote ketels erwtensoep kookte en groote hoeveelheden grauwe erwten met spek. Verschillende bloemisten hielden hardrijderijen voor hun personeel en stelden daarvoor geld beschikbaar. De dooi is langzaam ingetreden, zonder wind of regen. 7 Maart gingen de eerste booten er door en ruim een week later zag je geen ijs meer. We hadden dezen winter 2 maal lichte maan, en met de 3e maan zat er nog van het oude ijs, hier en daar. 19 Maart waren de boomen om elf uur nog wit van den ijzel. 17 April eerste mooie dag. Zondag 28 April ben ik in de Roversbroek wezen kijken naar de bevroren bollen. Verschillende hoeken narcissen zijn geheel weg. Bij de een alles, bij de ander zoo goed als niets. Crocussen ook veel geleden, vooral gele. Tulpen minder last. Het kweekersblad verzameld opgaven van de schade om een overzicht samen te stellen.

Winter 1938/1939

Vrouw en dochters van Koos, in de sneeuw. Waar? 23-12-1938

Nog steeds veel werkloosheid in Nederland. Het is een onzekere tijd. De spanningen in de wereld lopen op. Duitsland beleeft in november de Kristallnacht. Vanwege de Sudetenkwestie was er in Nederland al een gedeeltelijke mobilisatie, maar Nederland hoopte neutraal te kunnen blijven.

Uit het dagboek

Op Vrijdag 16 Dec. begon het met sterken wind te vriezen. 21 dec. begon het te sneeuwen. Volgens de krant is de koude periode bijna even streng geweest als in 1929.

Er is ontzaglijk veel bevroren omdat de vorst onverwacht kwam en ook omdat er door strenge wind niets tegen te doen was. Bijna overal was de waterleiding en wc bevroren. 1e Kerstdag prachtig winterweer, alles wit en zonnig. 2e kerstdag is het ’s avonds gaan dooien met natte sneeuw. Nadien heeft het niet meer gewinterd.

Winter 1939/1940 Oorlogsdreiging.

Januari 1940 auto gestrand bij het Kager viaduct

Veel economische problemen door de crisis. In Lisse zijn vanwege de mobilisatie soldaten gelegerd.

Uit het dagboek

De vorstperiode is thans begonnen op 15 Dec. Zondag 17 Dec. met sterken vorst, was precies dezelfde datum als de koude Zondag van vorig jaar. Heden zijn de sloten reeds sterk en wordt geschaatst. Zaterdag 23 Dec. koud weer en hardrijden voor de armen. De soldaten uit de Noord winnen gemakkelijk van de Lissers. 1 en 2 Jan helder vriezend zoodat de Gracht en de ringsloten sterk zijn en de ijsbaan de 2e maal geopend werd. Zondag 28 Jan. ben ik naar de Kaag gewandeld. De Lisserdijk was buiten de huizen onbegaanbaar van de sneeuw. Op sommige plaatsen 1M. hoog. Deze sneeuw is uit de Meer opgewaaid en de dijk is totaal onbegaanbaar voor alle verkeer. Er wordt nu in bijten veel paling en visch gevangen. Deze zijn geheel versuft.Bij de Sassemerpont vangt men wel 20 pond paling achter elkaar. 1 Febr. wind N.O. Het ijzelt den geheelen dag bij 8o vorst, zoodat de wegen totaal onbegaanbaar zijn. Op 4 Feb. stonden bij de dooi alle straten blank omdat de rioolputten bevroren waren en vol met sneeuw. Sloten en vaarten waren allen met de kanten gelijk vol met sneeuw. Onder die dikke sneeuw was het ijs soms verraderlijk zwak, zoodat er slechts enkele cm. ijs over was geschoten. Dit kwam veel door het spuien en omdat het onder die dikke sneeuw weg dooide. Alle menschen probeerden om zoo goed mogelijk de sneeuw voor hun huis op te ruimen en de putten open te steken. Want van rijkswege mochten geen werkloozen aan de sneeuwopruiming gezet worden. 21 Febr. valt een sterken dooi in. Thans worden alle daken en landerijen weer zwart. Het is een buitengewoon lange en strenge winter geweest die alle records sloeg. Toch was er weinig pleizier voor de schaatsenrijders. De soldaten welke in Lisse lagen hadden een kwaden winter met hun wachtloopen ’s nachts en in hun slaapkwartieren.

Winter 1940/1941

Nederland was bezet, maar die eerste oorlogsperiode voerde de bezetter nog een voorzichtig beleid. Het leven ging nog min of meer zijn oude gang.

Uit het dagboek

Deze winter heeft ook veel ijs en sneeuw gebracht, doch was afwisselend vorst en dooi. De Lisser ijsbaan werd 4 keer geopend. Op 10 Jan. heb ik op het Kagermeer gereden en was alles prachtig onder de rijp. Geregeld kwam nog nachtvorst voor in Maart en sterke nachtvorst op 8 en 9 April. Op 15 en 16 Mei hagelbuien en veel sterke nachtvorst. Na half Mei is het weer geleidelijk zachter geworden. Met Pinksteren op 1 en 2 Juni de kachel gestookt.

Jan. feb. maart 1942

Opnieuw een oorlogsjaar. De Duitse maatregelen worden steeds strenger, het leven steeds moeilijker.

Uit het dagboek

Deze winter heeft de kroon gespannen van de laatste jaren en was in koude en sneeuw van langen duur de ergste van de laatste jaren. Zondag nacht 25 Jan. weer veel jachtsneeuw gevallen. Maandagnacht en overdag geheelen dag sneeuwjacht met een vorst van – 14o. Het is boosaardig koud en bijna ondoenlijk om de deur uit te gaan. De sneeuw ligt op plaatsen 1 M. hoog. Alle wegen zijn versperd, geen tram geen auto rijdt meer en melk is niet meer te bekomen, tenzij bij de boeren die thans uit de deur mogen verkoopen. De geheele week zijn werkloozen aan het sneeuwruimen hetgeen geschiedt door de heide maatschapij. Het heeft onafgebroken gevroren van 9 Jan. tot 13 Mrt. Op 23 maart is op de Braasemermeer met een ijsschuit gezeild. In deze schuit was de datum 21/3-1890 gegrift, welke nu met 2 dagen werd geslagen. Het vroor door het geheele huis, in de gang vroor de wasch stijf, in de keuken vroor het ’s morgens 7 graden. Het ijs zat in de slaapkamer aan de muren. De Gracht in Lisse werd 23 Mrt opengebroken. Nog 10 c.M. dik. In de poorten van de H.B.G. gebouwen lag de sneeuw in de schaduw tot en met Paschen op 5 april. Bieten en wortelenpetten benevens de meeste aardappelpetten waren bevroren.

Recordwinter 1946-1947

Nederland is bevrijd, er wordt begonnen met de opbouw, maar er is nog gebrek aan van alles. Veel is nog op de bon.

Uit het dagboek

Zus Cora op de Lisserdijk vlakbij het huis van haar opa en oma. Ongeveer daar waar nu restaurant Puck is

We moeten volgens de gegevens teruggaan tot 1789 om de winter te vinden welke dezen in langen duur en hevigheid overtrof. Er zijn dezen winter geen uitzonderlijk lage temperaturen voorgekomen zodat de strenge vorsten van 1940 en 1942 niet geëvenaard zijn. Maar de duur van den winter is bijzonder lang geweest. Begonnen op 14 Dec. tot heden 16 Mrt. De kolennood is groot geweest. Tot heden is verstrekt op de bonnen 10 H.L. brandstof waar velen al te spoedig door waren. Honger is er niet geleden, want er is brood en eten genoeg. Op de feestavond van Canite Tuba op 29 Jan. was het zeer koud. De uitvoering van de zangver. de operette De Klokken van Corneville werden in de Hobaho gehouden bij strenge koude. De menschen gingen op klompen en pantoffels en namen warme voetenkruiken en dekens mee.

Eindelijk de dooi, minder mooi die zooi, daar op de Broekweg . We kijken vanaf het huis van de familie Groen in ’t Woud richting de Greveling, rechts zie je de Zemelpoldermolen.

Mijn aardappelpet heb ik op 11 maart opengebroken, de piepers waren niet bevroren. De pet was goed afgedekt en buiten een flinke laag riet en stengels van mais en tabak.

Dit is de laatste winter die in het dagboek, waaruit we steeds gedeeltes hebben overgenomen, is beschreven. Wat zou ons de komende winter te wachten staan? We moeten 22 december in de gaten houden. Dan is het volle maan en een volkswijsheid zegt “Noordenwind met volle maan kondigt een strenge winter aan.” Mocht het streng worden, wij hebben thermo ondergoed in plaats van lange Jaeger onderbroeken en borstrokken, we hebben geïsoleerde huizen en bloemen op de ramen zijn verleden tijd. Door de supermarkt deert een bevroren petgat niet meer. Wat zou het leuk zijn om weer eens te genieten van zwart doorschijnend ijs en een zo zeldzaam mooi beijzelde Spekkelaan! ‘t Kan vriezen en ‘t kan dooien. Bronvermelding: We danken mevrouw Ina van Leeuwen voor het gebruik van de aantekeningen en de foto’s die haar vader Koos Groen in ’t Woud lang geleden heeft gemaakt. De introfoto komt uit het archief van VOL.

Het handigste vervoersmiddel was bij uitstek de slee, daar kwam je ook overal mee.

Foto van het uitgebrande Leidse stadhuis komt uit het archief van fam. Boogerd en is gemaakt door N. van der Horst toen nog beginnend fotograaf (was oud glasnegatief). Verbindende teksten geschreven door Liesbeth Brouwer. ■

Bronvermelding

We danken mevrouw Ina van Leeuwen voor het gebruik van de aantekeningen en de foto’s die haar vader Koos Groen in ’t Woud lang geleden heeft gemaakt.

De introfoto komt uit het archief van VOL.

Foto van het uitgebrande Leidse stadhuis komt uit het archief van fam. Boogerd en is gemaakt door N. van der Horst toen nog beginnend fotograaf (was oud glasnegatief).

Ook de rolbrug over de ring vaart lag zo vast als het maar kon. Gerrit Wesselius de brugwachter had voorlopig even niets te doen.

Verbindende teksten geschreven door Liesbeth Brouwer.

Over het vrachtvervoer regeerde een heel strenge vorst die alles vast legde!

 

 

HUIS HALFWEG 150 JAAR GELEDEN GESLOOPT

Op 1 november 1657 opende men de trekvaartdienst tussen Haarlem en Leiden. Lisse lag precies halverwege beide steden. Daarom zette men in “Halfscheyd” in 1658 een kantoor.

Sporen van vroeger (Lisser Nieuws)

10 oktober 2017

door Nico Groen 

Het was in de 17e eeuw beroerd gesteld met de wegen en waterwegen in de Bollenstreek. Vele wegen waren onverhard en zaten vol kuilen. Het reizen per postkoets was dus geen pretje. Als men per boot vanuit Leiden naar Haarlem of Amsterdam wilde, moest men gebruik maken van het Haarlemmermeer. Dat was bij stormachtig weer natuurlijk levensgevaarlijk voor de vaak kleine bootjes.

Daarom werd een trekvaart gegraven en op 1 november 1657 opende men de trekvaartdienst tussen Haarlem en Leiden. Lisse lag precies halverwege beide steden. Daarom zette men in “Halfscheyd” in 1658 een kantoor, een dienstwoning, een paardenstal en een herberg . Het complex stond iets ten zuiden van de Halfwegsebrug in de huidige Stationsweg, ongeveer ter hoogte van Leidsevaart 10. Er hoorden 5 ha land bij, waarop de paarden konden grazen. Hier, halverwege Haarlem en Leiden, werden namelijk de trekpaarden gewisseld en de dieren konden hier uitrusten, eten en drinken. Het buurtschap Halfweg is naar Huize Halfweg of Halfwegen vernoemd.

Gevelstenen in de voorgevel
De kosten van het kopen van de grond, de bouw en het onderhoud waren gelijk verdeeld over  de steden Haarlem en Leiden. Het huis was ontworpen door de Leidse architect Willem van der Helm. In de voorgevel zaten 2 gevelstenen: een van de stad Haarlem en een van de stad Leiden.
Deze gevelstenen waren gemaakt door de bekende beeldhouwer Rombout Verhulst.
De dienstwoning werd bewoond door de trekvaartcommissaris. Hij moest er voor zorgen, dat de dienstregeling  van de trekschuiten goed werd uitgevoerd. Hij moest ook toezicht houden op de gang van zaken wat het wisselen van de paarden betreft. Het was een drukte van belang, want er werden veel passagiers en goederen vervoerd. Zo waren er in 1677 148.000 passagiers. Hetgeen neerkomt op  zo’n 2900 per week.
In 1695 brandde het gebouw af. Op de oude fundamenten werd een jaar later een nieuw huis gebouwd. De gevelstenen werden hersteld en opnieuw ingebouwd in de voorgevel.

In 1842 werd de spoorlijn Haarlem-Leiden gerealiseerd. De komst van de trein betekende het einde van de trekschuiten omdat reizen per trein veel sneller en comfortabeler was. Door de komst van de trein duikelde het aantal passagiers van de trekschuiten door de “Treckvaert” naar 2000 in 1843.
In 1860 waren het pand en de grond overbodig geworden voor de trekvaartdienst. Daarom werd het geheel verkocht aan Baron van Pallandt, eigenaar van Landgoed Keukenhof. Hij liet Halfweg slopen in 1867, dus dit jaar precies 150 jaar geleden. De gevelsteen met het Leidse stadswapen met de 2 sleutels liet hij inbouwen in de muur van de moestuin  om Frederikshof. De gevelsteen van het stadswapen van Haarlem is terecht gekomen in de poort van het Magdalenaklooster aan de Kinderhuisvest 17 in Haarlem.

Bovenstaande gegevens komen uit het boek ‘Blauwe ader van de Bollenstreek, 350 jaar Haarlemmertrekvaart-Leidsevaart, 1657-2007, geschiedenis, betekenis en toekomst’ uit 2007.

Foto: Halfweg met daarachter een binnenhof. Dáár achter de stallen. Op de voorgrond de trekvaart. Foto: Beeldbank Lisse.nl

Mijnenveger Lisse te water gelaten op 17 mei 1956

In 1956 is een schip te water gelaten met de naam ‘Lisse’.

Redactie

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 1 Winter 2018

Vader en dochter De Graaf zien toe hoe moeder met het bijltje hakt

Het is 17-05-1956. We staan op de kade bij de scheepswerf van E. J. Smit & Zn. te Westerbroek een plaatsje aan het Winschoterdiep in de provincie Groningen. Er staat een scheepscasco op stapel, zo ver klaar om in het water te glijden. Een feestelijke gebeurtenis en een drukte van belang. Tussen al die mensen zien we een deftige dame, dat is de vrouw van burgemeester De Graaf. Zij mag de bijl hanteren waarmee de naam van het schip wordt onthuld. Deze handeling zorgt er ook voor dat een fles champagne naar de boot slingert en met ferme smak openbarst tegen de houten scheepswand. Mevrouw De Graaf laat de woorden “Ik doop u met de naam Harer Majesteits Lisse” door de luidsprekers galmen. Tegelijk komt het gevaarte in beweging om niet te hard van stapel te lopen. Ruim 14 maanden eerder, op 10 maart 1955 werd ze daar op stapel gezet en na nog eens een kleine 9 maanden, op 22-02-1957 is ze helemaal afgebouwd en werd ze officieel in dienst gesteld.

Hr. Ms. Lisse mijnenveger de M843 voor anker in de haven van Delfzijl

Burgemeester De Graaf van Lisse krijgt het eenheidswapen van de commandant van de Hr. Ms. Lisse overhandigd.   

Dat in dienst stellen gebeurde in de haven van Delfzijl. Dat was ook weer een feestelijke gebeurtenis waarbij burgemeester De Graaf een kopie overhandigd kreeg van het onderdeelswapen. Waarna de mijnenveger met het naamsein M843 van de Wildervank-klasse kon gaan doen waar ze voor gemaakt is, gevaarlijke mijnen in de Noordzee onklaar maken om de scheepsroutes veilig te stellen. Bij zo’n tewaterlating kon je beter niet aan de tegenoverliggende kade staan. De kans dat je door de ontstane vloedgolf een behoorlijk eindje verderop werd neer gesmakt was niet klein. Het schip werd in 1963 omgebouwd tot hulpwerkschip bij duikwerkzaamheden. Dat was verloren geld want het schip heeft nooit voor dat doel dienst gedaan. In 1969 werd het schip uit de zeemacht genomen en verkocht. Met vier andere schepen uit die zelfde klasse ging het in één koop onder de slopershamer voor ƒ811.600,-. ■

Mijnenveger “Lisse”.
Deze foto’s en van de hartpagina uit VOL archief, met dank voor toestemming te publiceren aan het Nationaal Archief te ’s Gravenhage

Betekent Lys helder water?

De betekenis van Lis of Lys houdt de gemoederen nog altijd bezig. Volgens de schrijver kan Lys hetzelfde zijn als Lee of Leede. Mogelijk ontstond in Lisse een beek, die langs Sassenheim en Warmond uitkwam in de Rijn bij de Lange Mare in Leiden.

Deen Boogerd

Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 3 zomer 2017

Vraag aan meerdere etymologen naar een uitleg van de naam Lisse en je krijgt net zoveel of nogmeer antwoorden. Eén van onze enthousiaste vrijwilligers heeft in de serie “sporen van vroeger”in het LisserNieuws zo’n beetje alle mogelijke verklaringen de revue laten passeren om de naam “Lisse” te duiden. Lys, Lisse of een vervorming ervan wordt vaker gebruikt als naam.

Meer hondjes die Fikkie heten!

Een opsomming van wat ik zoal tegen kwam en er is nog veel meer. Wat mij opvalt als overeenkomst geef ik in blauw aan. Hoog in de Alpen bij de grens Zwitserland-Italië, is een bergrug “de Lyskamm” (witte bergrug) bestaande uit vier toppen met een gigantische gletsjer. Uit die ijsmassa ontspringt een bergrivier “de Lys”. Zij stroomt door de “Valle du Lys”(opvallende heldere stroom). Lisieux, grote en ſchone Stadt in Opper Normandyen, aan den vloed* Lezon. (uit Algemeen Woordenboek Des gantſchen aardrijks 1710). Rivieren en beken werden ook wel “vloed”vgenoemd. Lys, gehuchtje in het departement Pyrénées-Atlantiques ligt bij een onopvallend bergbeekje, de huizen en het kerkje zijn wit.

Saint-Martin Lys plaats aan de rivier de Aude in de flanken van de Pyreneeën. Het wildwaterriviertje stroomt door het Pierre Lys gebied met blanke rotsen (Pierre, Petrus, petra, rots, – Lys, blank, blanco, onbevlekt). Dammarie-lès-Lys, plaats aan de Seine. Lisses,  tadsdeel van Evry, vlakbij Parijs aan de Seine (plein hier is “Square du Village” is Vierkant van het Dorp). Lys-Saint-Georges, een plaats in het departement Indre (regio Centre-Val de Loire) aan een meanderend helder riviertje de Gourdon. Dent  de Lys is een berg in de Berner Alpen, met besneeuwde toppen op een hoogte van 2.014 m. Brugge was hoofdstad van een Frans departement (département de la Lys) in de Nederlanden, genoemd naar de rivier de Leie. Sailly sur la Lys, (Nederlands: Zelleken of Zellebeke) ligt op de grens tussen België en Frankrijk. In departement Pasdu -Calais stroomt de rivier de Lys, die aan de Belgische kant de Leie wordt genoemd. Capelle sur la Lys gehucht langs de Leie met een Kapelstraat (Reu de la Capelle) met een pittoresk kapelletje.
Erquinghem-Lys (Nederlands: Erkegem-aande-Leie) deze gemeente ligt iets noordelijker. Aire sur la Lys (Nederlands: Ariën-aan-de-Leie) Lissewege, West Vlaanderen Lissewege, het witte dorp. Lisse, Zuid-Holland, 9de eeuw Lux, de naam Lux “zal wel een verkeerde spelling zijn”, zo wordt geschreven bij een uitleg. Echter dat een x verandert in een s, ss of ks is niet vreemd, daarover straks meer.
Fleur de Lis (ook fleur-de-lys of Franse lelie) wordt gebruikt in de heraldiek, waar ze vooral geassocieerd wordt met Frankrijk. De lelie is in de leer der emblemata een symbool van de maagd Maria,c zuiverheid en maagdelijkheid. De naam betekentletterlijk leliebloem, het symbool is in feite een gestileerde Lis, een helder gele bloem.
“De Tranen van Lys” is een zeldzaam en duur vergif. Het is helder en zo zoet als water en het laat geen sporen na. “Lys is een vrijstad in Games of Thrones” ! Lisse, op veel verfblikken vermelding in het Frans voor glad in de vorm van glanzend (uitspraak is lies). Lys in de scandinavische talen als zelfstandig naamwoord licht, schijn, schijnsel en als bijwoord hel, helder, klaar en licht.

Overeenkomsten?
De Lyskamm met haar Gletsjer en de maagdelijke sneeuw op haar toppen ook op de Col du Lys. Lisse is ook glans en effen als het gaat om verf. Witte rotsen van “Pierre de Lys” die het zonlicht weerkaatsen, net zo hard als een blanke top der duinen. Al is het donker, de gele Lis waarschuwt als een helder brandende kaars, ”niet verder lopen anders verzuip je in het moeras”! Maria heeft “de fleur de Lis” als symbool van reinheid (onbevlekt). Zoeken naar overeenkomsten is een manier om iets te leren over de herkomst van een naam. Het woord helder in de vorm van ongerept, onaangetast, klaarheid en rein, zie ik een gelijkenis met Lisse, dat vroeger ook Lys werd genoemd?

La Lys in Frankrijk, de Leie in België

De rivier “la Lys” in de opsomming van naamgenoten spreekt mij het meest tot de verbeelding. Zij ontspringt in Nord du Calais bij Lisbourg (in het Nederlands Liegesboort uit “Legios burthi”, betekent ‘geboorteplaats of bron van de Leie’.) Deze Leie, die in Gent samenvloeit met de Schelde, werd voor het eerst vermeld in een Latijnse akte uit 694 als “super fluvio Legia” dat is ‘boven de stroom Leie’. De Kelten noemden deze beek al “Legia” wat overgenomen werd door de Romeinen. In het 33ste jaarboek 2008 van Ons Erfdeel vzw in “De Franse Nederlanden” staat een verslag over een reis langs de Leie van Luc Devoldere. Als startpunt van zijn reis langs de Lys/Leie begon hij bij de bron. Over de bron had hij gelezen dat ze regen kon voorspellen want dan gaf ze minder helder water. De mate van troebelheid zei iets over de grootte van de te verwachten bui. Toen hij begon met de reis regende het pijpestelen. Het water van de ‘Lys’ was die dag niet ‘lisse’, rimpelloos en helder: het was blauwgrijs en werd al heel snel modderbruin. Dit lezende moest ik denken aan de Barnsloot die parallel aan het spoor loopt langs het veen. Het water is daar niet lisse/helder het water is bruin gekleurd door het veen. Het water dat aan de voet van het Berckhouterduin uit de grond welde was wel lisse, klaar en helder. Jan de Graaff beschrijft “de Beeck” (Kerksloot), die toen nog stroomde door de “Mossenhof”, in zijn Lisser Arkadia als volgt. ±1765.
“terwijl een beekje stroomt
dat als kristal vertoont
in zuivere klaarheid”
Heel kort samengevat maar wel een helder stukje. (pag.46 uit “t Roemwaard Lisse”)

Klanken in het Hollands dialect

Van Jacques van der Velden (etymoloog) kreeg ik o.a. de volgende verklaring toegestuurd. Waar sommigen zeggen dat Lux niets met Lys te maken kan hebben, zou ik zeggen dat het heel goed mogelijk is dat Lis, Lisse ‘helder of licht’ kan betekenen, gezien de oudere vormen Lux en Ljusne. Vergelijk fox-fuchs, met luxleucht, licht en denk aan ox-os, vox-vos, Xanten-Santen, Bruxelles-Brussel, Saxnem-Sassem, Xander-Sander, men schrijft Texel en zegt Tessel. Hollandse dialecten maken dus van een x vaak een s-klank. Zo zou lux in oud-hollands als lusch of lisch kunnen klinken.

Waternamen of hydroniemen zijn de oudste namen die we kennen. Als betekenis voor de naam Leiden komen we uit op waterleiding als waterloop en welke in velerlei variaties voorkomt zoals Lee, Lei, Liede, Leede en Leie. Dit kan een gegraven waterloop zijn maar evengoed een natuurlijke of een rechtgetrokken en verdiepte beek. Het zal waarschijnlijk niet toevallig zijn dat de ‘echte Leidenaar’ “Leie” zegt i.p.v. Leiden. Als Leie en Lys in betekenis het zelfde is dan is er ook een koppeling naar Lee of Lede. Op Wikipedia staat een beschrijving over “de Lee of Lierwatering” een riviertje in het Zuid-Hollandse Westland dat stroomt door het centrum van De Lier. De plaatsnaam De Lier komt van het riviertje De Lee. In oude geschriften spreekt men van de Lihora ook wel Liora, wat de heldere betekent.

Als Lys, Leie, Lee en de Leede het zelfde is, zou Lys dan het brongebied van de Lee/Leede
zijn? Met in het verlengde ook de Mare die in hartje Leiden uitstroomt in de oude Rijn. Menno Dijkstra schrijft in zijn boek “Rondom de mondingen van RIJN&MAAS” dat Lys best weleens naar een riviertje genoemd kan zijn. Laten we eens beginnen bij het einde waar “de Mare of Maren” (is Waterloop) uitstroomt in de Oude Rijn”. Daar heet ze “Stille Mare”, voorbij de Haarlemmerstraat heet ze de “Lange Mare”.

Aan de ander kant van de “Oude Vest” de “Nieuwe Mare”, onder de “Marepoortbrug” door heet ze gewoon de “Mare” en op oude kaarten “Maren”. Tot bij het “Warmonderhek”cis ze gekanaliseerd en heet ze nu Haarlemmertrekvaart. In Noordelijke richting draagt ze de naam “de Leede” (is waterloop) na de spoorbrug heet ze “Warmonderleede” en nog wat verder is zij “de Hoflee” die

De Mare was geen gracht maar een rivier, die als een parelsnoer het decolleté van Leiden sierde. Wie verstopt nu zoiets schitterends.? ±1920 (collectie Jan Mark)

achter Sassenheim langs stroomde als “de Lee” langs het land van Floris Schouten bij de Cleypoel. (rechtelijk archief Sassenheim 255. 20-09-1609 ook 105v. 17-2-1601) . hr. Nicolaes Paets van Santhorst verkoopt Jan Janszn. 11 hond weiland genaamd de Bellecamp volgens de oude brief van 7-3-1510 en nu groot 9 hont, belend NW en NO het water genaamd de Lee, ZO het water genaamd Cleypoel. Hier lees je dat het land wordt opgevreten door het water eerst 11 hont later nog maar 9 hont, dus de Poel is dan nog steeds groeiende. Ergens bij de Pallandtlaan passeert de Lee “Huys ter L eede”vlakbij dat mooie oude Sassenheimse zwembad. Vervolgens vormt ze al kronkelend de grens tussen oude kavels en voorbij de “Bonte Krielpolder” volgde ze de diepste delen van het Geestwater.

Berckhouterduin was de bron van meerdere beken. Lisse was geheel omgeven door watertjes, ook één die door het dorp stroomde. Detail uit een kaart van Balthasar Floriszn. van Berckenrode 1615.

Bij de “Ruishorn” komt ze weer te voorschijn als de “Graft” (eigenlijk een verbrede beek) tot aan de molen. Daar vandaan werd de “Graft” recht gegraven wat de haven van Lisse werd. Iets ervoor stroomt de “Kerksloot” in de kromming van de “Graft”. Ten Noorden van de molen is de “Lisser Beeck” die bij de “Verboogervaert” is doorgetrokken naar “de Lisserham” waar ze uitwatert in het Haarlemmermeer. Met een mooie bocht kwam ze achter het “Berckhouterduin” vandaan. Bij Lisse was dat water nog lys, maagdelijk en drinkbaar, naarmate het de zandgronden verliet werdhet door het veen steeds donkerder gekleurd dus minder lys. Als we de kaarten goed bekijken zien we dat vanuit het Berckhouterduin vier waterlopen stromen. Eén beek stroomde rechtstreeks door het dorp van Lys, langs de Brouckwech en mondde bij de Heul uit in de Beeck. Vanuit het duingebied stroomden een stuk of negen waterlopen die in de Lisserpoel uitwaterden. Lisse was bij uitstek een “vloedorp”, een brongebied van vele vloeden. Was de Heereweg dan toch de “Vloedorperlaene” voordat de Oude Heereweg het toevoegsel “oud” erbij kreeg? Onderstaand stukje uit de stamboom van familie Westgeest geeft genoeg vloed om lekker in te duiken voor een volgend artikel.

zonen van Vranck Matheusz

1. Dirck Vranckensz, geboren ± 1470, overleden na 1550. Kastelijn van Dever. Vanaf ±1497 pachter van 3,5 hont geestland van percelen, liggend, strekkend aan de Sijp met de N.O. zijde aan de Vloedorperlaan te Lisse, vorige pachter zijn broer Huijch Vranckensz. (bron2)(IV/001)
2. Huijch Vranckensz, geboren ±1475, overleden voor 1543. Gehuwd met Maritgen n.n. overleden tussen 1553 en 1556. Tussen ±1495 tot ±1497 was hij pachter van 3,5 hont geestland van percelen liggend strekkend aan de Sijp met de N.O. zijde aan de Vloedorperlaan te Lisse, vorige pachter zijn vader Vranck Matheussz. (bron2)(IV/002)

Hoe een uitgaansdag in 1845 tragisch eindigde

Na bezichtiging van het nieuwe gemaal de Leegwater sloeg de boot om. Sijmen Barnhoorn, Jacob Koopmanschaap en Cornelis van Riek verdronken  toen.

door Dirk Floorijp

NIEUWSBLAD Jaargang 12 nummer 1, januari 2013

Ze gaan met hun zeilboot richting Buitenkaag om het gemaal de Leeghwater te bekijken. De machtige stoommachines in bedrijf te zien die de Haarlemmermeer moeten leegpompen, en met elke slag 88 m3 water de ringvaart in te lozen. De Leeghwater maakte op 22 juli 1845 zijn eerste slag. In 1849 kwamen de gemalen Cruquius en Lijnden erbij en was de klus in 1852 geklaard. Het was een wonder om te zien en daarvan getuige te zijn. Met vijf man waren ze vertrokken en na een enerverende dag tegen de avond huiswaarts getrokken. Ter hoogte van de Greveling sloeg echter het noodlot toe. We volgen het proces dat door de politie toen is opgetekend. Procesverbaal Op heden 10 augustus 1845 savonds ongeveer 7 ure compareerde voor ons mr. Johannis Cornelis van Rossen Burgemeester van Lisse, Anthonie Beltzer, koetsier oud 33 jaren wonende te Hillegom, en Petrus Johannes Hageman tuinman, oud 56 jaren mede aldaar woonachtig,welke ons verklaarden. Dat zij van eene zeilpartij ter bezichtiging van de leeghwater terugkerende in de ringvaart in de omtrek der Greveling waren omgeslagen en drie der hunnen verdronken waren – als- Sijmen Barnhoorn, jager oud 46 jaren Wonende te Hillegom. Jacob Koopmanschap, timmermansknecht oud 29 jaren wonende te Weespercarspel, thans werkende te Hillegom en Cornelis van Riek oud 26 jaren wagenmakersgezel, bij zijne moeder weduwe wonende te Lisse. Cornelis zijn vader Jacob Jansz van Riek was reeds in 1833 overleden, gehuwd met Maria Ariensdr. van Noort. en woonden bij het Vierkant. Dat zij omgeslagen waren, toen zij den schuit wilden wenden om een haak te krijgen die hun ontschoten was, Denkelijk door eene te hevige windvlaag, of het vast blijven houden der schoot. dat bij het omslaan hij koetsier uit gesprongen was en zwemmende de wal bereikt had. Dat onder zijn zwemmen hij door den wagenmaker was achterhaald en deze zich aan hem vastgeklampt had, dat hij zich echter losgewerkt had en daarna den wagenmaker niet meer gezien had, dat hij tuinman met den jager en de timmermansknecht bovenvermeld op den bodem der schuit waren geklommen dat de schuit daarop gezonken zijnde hij zich andermaal aan den schuit heeft vastgehouden, terwijl hij de andere twee vlak nevens elkander zwemmende gelijkelijk heeft zien zinken, dat na op het geroep van den koetsier eenige poldergasten aan de greveling wonende, waren te hulp gekomen en hem in hunne schuit geholpen hadden, dat zij als nu niets anders bij zich hebbende dan boomen zonder haken en de vermisten reeds om het half uur waren onder geweest en er andermaal teveel tijd moest verloopen eer men zich van haken had voorzien zij gemeend hadden dat aan geen redding meer te denken was en besloten hadden om van het gebeurde slechts aangifte te gaan doen. Van welke aangifte na gedane voorlezing dit relaas is ondertekend. A.Beltzer P.J.Hageman J.C.van Rossen Nog compareerde de gemelde poldergasten Willem van Genderen oud .. tig jaren wonende te Sliedrecht en Jan Gelerblom oud 22 jaren wonende te Hartingveld beiden thans aan gemelde ringvaart werkend- verklarende: dat hij op het geroep van zijn dochtertje was buiten gekomen, eenige menschen in het water had zien worstelen maar dat eer hij een schuit had losgemaakt om er heen te varen niets meer gewaar was geworden dan een man die tegen den dijk opkroop. Dat de tegenwind en stroom het naderen vrij onmogelijk en langdurig gemaakt had en hij ter plaatse komende behalve den man die tegen den dijk geklommen was nog een man even met het hoofd boven water had gevonden zich vasthoudende aan het boord van een omgeslagen schuitje, dat hij overigens uit consideratie als boven besloten dan met de geredden en zijn schuit naar het dorp te vervoeren. De comparanten verzocht dat relaas te ondertekenen verkaarden niet te kunnen schrijven. Op 12 augustus 1845 doen de overlevenden Antonie Theodorus Beltzer, koetsier en Petrus Johannes Hageman, timmerman op het gemeentehuis van Lisse aangifte van het overlijden van hun drie kameraden in de akten nr. 27, 28 en 29.

Bron:

Gemeentearchief Lisse inv.nr.1115 , Bevolkingsregister Lisse

Gemaal de Leeghwater in 1846

De voet van de oude benoorden Rijnse Wendeldijk teruggevonden? Was dit de grens tussen Lisse en Sassenheim?

De ambachtsgrenzen werden vroeger bepaald door herkenbare elementen in het landschap. De grens tussen Lisse en Sassenheim is praktische een rechte lijn. Wat was de herkenbaarheid in het landschap dat deze grens bepaalde? Aad van der Geest maakt duidelijk dat dit een dijk geweest kan zijn, die de ambachten langs de Oude Rijn moesten beschermen van het oprukkende water vanuit het noorden en het oosten.  Dit was een zg Wendeldijk.

door Aad van der Geest

Uit de Aschpotter: Jubileumuitgave Stichting Oud Sassenheim 1990-2010

Zoals de titel doet vermoeden is de voet van de oude Wendeldijk thans niet meer traceerbaar. Het gaat hier om de oude Wendeldijk van het benoordenrijnse deel van wat we nu het Hoogheemraadschap Rijnland noemen. De toevoeging ‘oude’ impliceert tevens dat er op latere datum ooit een nieuwe dijk aangelegd zou zijn. Maar wat is nu eigenlijk een Wendeldijk? Hoe oud zou hij nu dan wel moeten zijn en hoe lang is dit vermaledijde stuk aardwerk al zoek en waar begon deze dijk dan wel?

Een Sidewende of Wendeldijk

Een samenloop van omstandigheden noopte de bevolking in het westen van het oude graafschap Holland haar blik te richten op de veenlandschappen ten oosten van de oude strandwallen. De groeiende bevolking werd als het ware oostwaarts gedwongen. Dat kwam mede door de vorming van de jonge duinen, wat in de loop van de 10de eeuw begonnen moet zijn, met de daaraan gepaard gaande overstuivingen van akkers en graslanden. Op het vruchtbare veen was het goed mogelijk om graan te verbouwen, maar het diende hiertoe wel ontwaterd te worden omdat dit graan pas goed groeit als de grond niet al te vochtig is.

Maaivelddalingen in noord-oost Sassenheim

In het begin groef men derhalve heel simpel afwateringssloot­jes, die voor dit doel voor een be­paalde tijd afdoende bleken. Als gevolg van ontwatering en oxidatie (dit is het verdrogen van de bovenkant van het veen, dat vervolgens door de wind weg­geblazen wordt) klonk het veen echter in en werd na verloop van tijd de waterhuishouding steeds problematischer. Men begon op lokaal niveau te werken met (restveen)dijkjes om het water buiten te houden. Wat in de tweede helft van de 10de eeuw een aanvang had ge­nomen, bleek een goede 100 of 150 jaar later niet meer zo een­voudig uitvoerbaar.

Een Wendeldijk is een dijk die haaks op de hoofddijk wordt aangelegd, met als doel: de bescherming van de oudst ontgonnen gebieden. Die la­ger gelegen gebieden kunnen zo beschermd worden tegen het drangwater van de naast liggende hoger gelegen gronden. Er kon toen namelijk nog geen gebruik worden gemaakt van windwatermolens; die kwamen pas later (1408).Bemoeienissen van lokale en regionale overheden bleken onvermijdelijk en zo ontstonden onderlinge afspraken en organisaties. Als rond 1163 de Rijn­mond bij Katwijk verzandt, heeft men pas echt een probleem met de afvoer van het overtollige water. De (voorlopige) oplossing hiervan bestond uit de aanleg van een zogenaamde Wendeldijk.

Ouderdom van de Wendeldijk

Na de verzanding van de Rijnmond in 1163 en de problemen die dat qua wa­terafvoer in het gewest Rijnland met zich meebracht, probeerde Graaf Floris III dit probleem aan de oostgrens op te lossen door het leggen (of herstel­len) van een dam in de Rijn, de zgn. ‘Suadenburgerdam’ (Zwammerdam). Hierdoor was hij verlost van watertoevoer uit het Utrechtse (het Westelijk Nedersticht). Niet dat de Utrechtse bisschop hier blij mee was, want keizer Frederik Barbarossa zelf moest er in 1165 aan te pas komen om het geschil te slechten. Helemaal verwijderd is de dam nooit. Later in 1202 en 1226 blijkt hij nog gewoon te bestaan. Intussen moesten 15 zogeheten ambachten van Rijnland hun blik noordwaarts richten om zich van het overtollige water te ontdoen via het Oude Leijdsche Meer. Dat was toen nog een min of meer zelfstandig binnenwater, dat in verbinding stond met het Haarlemmermeer en dat via het Spaarne weer op het IJ kon lozen. De oudste vermelding van het Leijdsche Meer stamt uit 1248, maar er moet iets van een voorloper ge­weest zijn. Waar anders kon Leimuiden in 1163 reeds op lozen? De storm­vloeden van 1170 en 1196 veroorzaakten de scheiding tussen Friesland en West-Friesland, de vorming van de Zuiderzee (voorheen Flevomeer) en een open verbinding met het IJ, waarop zoals gezegd, het Spaarne weer kon lozen. Reeds vóór 1200 werden derhalve twee natuurlijke veenstromen, die indirect zelf al in het Leijdsche Meer uitkwamen, doorgegraven tot aan de Oude Rijn: te weten de Does en de Zijl.

In 1202 beloofde Graaf Dirk VII de toch nog (of weer) bestaande dam bij Zwammerdam op te ruimen als Utrecht als tegenprestatie drie wateringen zou graven. Vanaf Oudshoorn (nu Alphen a/d Rijn) was dit de Woudwe­tering, die liep tot aan het huidige Paddegat bij Roelofarendsveen. Het eerste gedeelte vanaf Alphen heet tegenwoordig Heimanswetering, Deze Woudwetering ging over in de Roelevaert, die we moeten zoeken langs het traject van het huidige Zuid- en Noordeinde in ‘Roele-vaerts-veen’ (Roelofarendsveen). Deze Roelevaert kwam weer uit in de Googh, die uiteindelijk uitwaterde op het Leijdsche Meer. De Googh heette later ‘Molentocht’. Hier­ mee waren de drie Utrechtse weteringen een feit. Als de Braassem zijn huidige vorm gehad zou hebben, was de route over het Zuideinde vol­strekt onlogisch geweest. Maar de verbinding van de Woudwete­ring met de Googh, via Zuid- en Noordeinde (de Roelevaert), is de meest voor de hand liggende. De Does kan via de Wijde en Nauwe Aa bij het Paddegat de Woudwetering/Roelevaert overstekend een route hebben gevolgd naar de Oude Wetering. Mogelijk komt hier ook de gemeentegrens door de Braassem vandaan. In 1226, na wéér geharrewar over de Zwammerdam, besloten Holland en Utrecht zeven sluizen in de Wendeldijk aan te leggen, waarvan Utrecht er drie zou moeten onderhouden. Aanvankelijk zal de Wendeldijk mogelijk slechts een eenvoudige (restveen?) dijk geweest zijn, maar voor deze gele­genheid zal hij toch verhoogd en verzwaard zijn, ook al vanwege het nieuwe gevaar uit het noorden. Een exacte datering van de Wendeldijk is natuurlijk uitgesloten, maar vanaf 1200 kan hij in enigerlei vorm toch wel aanwezig zijn geweest.

De Wendeldijk is al eeuwen zoek

Twee geweldige stormvloeden van 20 november en 28 december 1248 ver­grootten de al eerder ontstane Zuiderzee en het IJ. Het gevaar voor nog meer wateroverlast vanuit het noorden bedreigde het Rijnland. Dit probleem werd opgelost door het leggen van de zgn. Spaarndam op de plek waar het Spaarne uitkwam op het IJ. In 1253 gaf Graaf Willem II toestemming voor de aanleg van een schutsluis t.b.v. de scheepvaart, omdat het verschil in waterniveau bij tijd en wijle te groot moet zijn geweest of omdat de ongetwijfeld reeds aanwezige spuisluizen hier te klein of te onhandig waren. De Spaarndam bestond uit een Zijdwinde of Wendeldijk vanaf de Santpoortse duinen tot aan de monding van het Spaarne (de huidige Slaperdijkweg). Dan volgde de eigenlijke Spaarndam, die weer doorliep op de zogeheten Zeedijk, aan­gelegd aan de zuidoever van het IJ richting Amsterdam (de huidige Hoge Spaarndammerdijk). Ten westen van Amsterdam sloot deze dijk aan op één of ander gigantisch dijkwerk dat doorgelopen moet hebben tot ergens aan Waddinxveen en diverse trajecten moet hebben gekend. Dit geheel was in feite de Zwammerdam en de beheersbare opening in de Rijn bij de plaats Zwammerdam zelf, slechts het doorlaatpunt van het Rijnwater. Vanaf Wad­dinxveen tot aan Wassenaar/Waalsdorp werd Rijnland beschermd door de Zijdwinde of Ovenzijdwinde, de latere landscheiding tussen Rijnland en Delfland/Schieland.

Tussen 1286 en het einde van de 13de eeuw moet Rijnland omgeven zijn ge­weest en beschermd zijn, door diverse dijkwerken. De 15 oorspronkelijke ambachten waren vanaf 1253 reeds uitgebreid tot 24 ambachten, die allen gelegen waren aan of loosden op de Rijn. Sassenheim, evenals Lisse en Hil-legom behoorden hier niet bij, want ze konden aan de oostkant zelfstandig lozen, maar ze waren wel dijkplichtig. Voorhout en Warmond zullen aan­vankelijk via via op de Rijn geloosd hebben, maar vanaf 1327 kon dit op de Poelen bij Warmond (Hemmeer), na de doorgraving van de Dinsdagsewetering door de strandwal heen (bij de huidige Korenmolenbrug). De oude Wendeldijk, die dus de voorloper was van het geheel aan dijkwerken (ge­makshalve aangeduid met de naam Spaarndam), was in 1310 in opspraak vanwege de sluisvisserij, die schade toebracht aan de spuisluizen of deze zelfs verstopte of blokkeerde. Dat het hier om onze Wendeldijk gaat is vrij­wel zeker, want de voet van de Spaarndam werd altijd aangeduid als Zijd­winde en had geen sluizen. Deze lagen alleen in de Spaarndam zelf (in 1255 ‘Spernedam’ genoemd). In 1310 bestond de Wendeldijk dus nog, zij het als een soort slaperdijk. Maar daarna wordt het stiller rond onze dijk. In de 16de eeuw worden overblijfselen ervan nog genoemd als eigendom van de Heer van Alkemade.

Later wist Jan van Hout (1542-1609), die onder andere stadssecretaris van Leiden was, er niet veel meer over te vertellen dan dat deze Wendeldijk vol­gens overlevering van Sassenheim naar Alkemade zou hebben gelopen. Op een 17de  eeuwse kaart van J. R Dou komen we voorts nog de naam ‘Wendeldijckshouck’ tegen tussen de Kaag en de Nieuwe Wetering. Nog weer later komt deze illustere dijk een paar keer voor in enkele fantasie­voorstellingen omtrent de geschiedenis van het Haarlemmermeer.

De voet van de oude Benoordenrijnse Wendeldijk

Oude volksverhalen willen nog wel eens een kern van waarheid bevatten en de overlevering, waar Jan van Hout het over had, kon wel eens kloppen. Een Wendeldijk is een land/binnen-dijk die haaks op de hoofddijk staat. De oost- en westgrens van ons dorp wordt gevormd door het water en onze oorspronke­lijke zuidgrens door de oude Dam, die weer de grote bocht van de Oude Vliet volgde.

Onze noordgrens is echter een rechte lijk van west naar oost, haaks op de strandwal en deze grens is m.i. de voet van de oude Wendeldijk. Hoe zag dit er nu vroeger uit? In 1310 was er, zoals gezegd, nog steeds spra­ke van de Wendeldijk. De extreem hoge rivierwaterstanden van juni 1322 hadden een ernstige doorbraak van de Lekdijk Bovendams bij Vreeswijk tot gevolg. Daardoor stortten grote watermassa’s zich uit over het vaste land van Utrecht en Zuid-Holland. Deze overstroming leidde tevens tot de aanleg in 1330 van de Hoge Rijndijk dwars door Rijnland. Ook de Wendeldijk heeft zich blijkbaar niet kunnen verweren tegen de opgezweepte watermassa’s. Waarschijnlijk is toen de Dieperpoel en in ieder geval de Cleypoel gevormd. De Cleypoel was de zuidelijke uitloper van de oorspronkelijke Lisserpoel en bevond zich grotendeels op Sassems grondgebied.

Het traject van onze noordgrens dwars door de huidige Poelpolder heen is opmerkelijk en moet ver voor 1322 reeds bestaan hebben. Een akte uit 1346 geeft aan dat ‘den Cley-Poele’ toen in ieder geval al bestond. Was onze noord­grens jonger dan 1346, dan zou hij beslist om de Cleypoel heen gelegd zijn, maar de grens loopt er dwars doorheen. Ondanks het landverlies bleef men de oude grens handhaven, mogelijk geijkt door twee herkenningspunten op de west- en oostoever, te weten de restanten van een oude dijk. Op 7 mei 1322 vormde de Wendeldijk blijkbaar nog de noordelijke begren­zing van de heemwerf en de 16 morgen land van Heer Dirk van Sassenheim. Hij woonde op de oude Hofstede, die was gelegen ergens in de buurt van het huidige Huis ter Leede. In 1329 komen er een kleine 4 morgen land bij en schuift de noordgrens van Heer Dirks leen op naar de beek bij ‘De Engel’, die dan juist door de strandwal gegraven is,vergelijkbaar met de Dinsdagse-wetering onder Warmond in diezelfde periode.

Nogmaals de voet

Bodemprofiel Sassenhem NO

De enige verklaring van het traject van onze noordgrens zit m.i. verborgen in het feit dat deze grens van oudsher op iets herkenbaars in het landschap geijkt moet zijn geweest.

De huidige Elbalaan is exact de grens tussen zand en veen. Vanaf hier (en wel precies tus­sen huisnrs.42 en 44) moet de voet van de Wendeldijk des­tijds richting de oude moe­rasburcht ’t Althuys gelopen hebben, ’t AIthuys is te identi­ficeren met de plek waar zich tegenwoordig de kaasboerde­rij van Pennings bevindt.

De Wendeldijk liep vanaf deze verhoging in het landschap noordwaarts, oost­waarts om zuidwaarts af te buigen naar wat nu de Julianalaan op De Kaag is, die in het algemeen gezien wordt als een onderdeel van de Wendeldijk. Uiterlijk rond 1281, maar mogelijk eerder moet er een kunstmatige grens ge­trokken zijn tussen Sassenheim en Lisse. In ieder geval komt Lisse in dat jaar als zelfstandig ambacht voor, inclusief een schout. Als volgens de overlevering de Wendeldijk zijn aanvang had in Sassenheim, dan is m.i. onze noordgrens met Lisse de enige kandidaat om het traject van deze grens te rechtvaardigen. Noch in de Bonte Krielpolder noch in de Hellegatspolder zijn zand of puin-banen teruggevonden langs of op het traject van onze noordgrens. Maar als de Wendeldijk van oorsprong inderdaad een restveendijk was, is dit ook niet verwonderlijk. Als er bovendien al een spoor van was, dan blijkt dat in de 16de eeuw reeds verleden tijd geweest te zijn. Tot nader tegenbericht houden wij de Sassenheimse noordgrens voor de voet van de oude Wendeldijk.

De grens tussen Sassenheim en Lisse loopt bijna recht. Grenskaart Sassenheim- Lisse. COLLBN Port 13 N 9 blad 7

 

Bronnen:

De landscheidingen tussen Delfland, Rijnland en Schieland, J.L van der Gouw. Uitgeverij Verloren, Hilversum 1987.

De Nederlandsche Leeuw, 76e jaargang nr. 12, december 1959. De oude Hofstede te Sassenheim en haar bewoners, L. J. van der Klooster. Holland en het water in de Middeleeuwen, diverse auteurs. Uitgeverij Verloren,

Hilversum 1997. Hoogheemraadschap van Rijnland, Mr. S. J. Fockema Andrae. Heruitgave: Drukkerij Canaletto, Alphen aan de Rijn 1982.

Op weg naar Sijtwende, W. de Jonge en de Archeologische werkgroep Voorburg, 2001. Schets van Zuid-Hollandse watersnoden in vroeger tijd, Mr. S.J. Fockema Andrae,

Zuid-Hollandse Studiën III. Drukkerij Die Haghe NV. Voorburg, 1953. Vissen in veenmeren, Petra J.E.M, van Dam. HV.H. uitgeverij Verloren, Hilversum 1998. Waterstaat in stedenland, Het Hoogheemraadschap van Rijnland voor 1857.

Milja van Tielhof, Petra J.E.M, van Dam, Uitgeverij Matrijs, 2006.

Geschiedenis Poelpolder

Arie in ’t Veld beschrijft een artikel van A. Hulkenberg over de ontstaans geschiedenis van de Poelpolder. Volgens Hulkenberg wordt de Poelpolder al in 948 vermeld. In dat jaar verleent keizer Otto I het recht tot visserij in ‘Getrewat’. Later Geestwater genoemd.

door Arie in’t Veld

Nieuwsblad VOL juli 2010

In een aangeboden oude De Lisse uit 1975 , vonden we dit stukje over Arie in ’t Veld. Inmiddels 35 jaar correspondent van de Lisser. Bij zijn adres werd De Poelpolder vermeld. De bebouwing van de Poelpolder dateert uit de jaren 60, nu zo’n 50 jaar geleden. Dit was aanleiding voor Arie in ’t Veld om nog eens terug te grijpen op de geschriften van de heer A. Hulkenberg.

 

In de Poelpolder zijn huizen gebouwd en er zijn plantsoenen aangelegd. Dat is een vaststaand feit, zoals het ook vaststaat dat heel veel mensen zich in de Poelpolder thuis voelen en dat is iets waaraan nog wel eens werd getwijfeld toen in de zestiger jaren de ontwikkeling van de polder in gang werd gezet. Lissers hoorden in Lisse en niet op de plek van de vuilnisbelt ergens in de middle of nowhere…. Onder die Poelpolderbewoners bevinden zich veel Leidenaars. Of eigenlijk moeten we natuurlijk zeggen ex-Leidenaars. En als die mochten denken dat ze een stuk van hun roots verwijderd zijn, dan mag uit het volgende verhaal dat door de onvolprezen heer wijlen A. Hulkenberg werd geschreven blijken dat dit helemaal niet het geval is. De geschiedenis van de Poelpolder is namelijk altijd een Leidse aangelegenheid geweest.

Grafelijk viswater
De Lisser Poel was namelijk een deel van de Leidse Meer. Tussen de Meer en de Poel lag een eiland, de Roversbroek. Er zat zeer veel vis in de Poel, met name baars en bot, maar het brakke water was natuurlijk niet goed voor de omliggende weilanden en de overstromingen brachten veel schade. De eerste vermelding van de Lisser Poel vindt plaats in 948.
In dit jaar staat keizer Otto I.leenheer van Holland, aan het bisdom Utrecht het recht toe tot de visserij in “Getrewat”. Dit woord is niet duidelijk. Men spreekt later van “Geestwater”, misschien omdat ’t dicht bij de geestgronden lag, misschien omdat het er bij storm zo gevaarlijk kon spoken. Geleidelijk aan hebben de graven van Holland, met name ook Floris V, zich vrijgemaakt van het keizerlijk gezag en ook van het wereldlijk gezag van de bisschop van Utrecht. Zo kwam de Lisser Poel aan de grafelijkheid van Holland. Tot de Franse revolutie toe is de Poel in het bezit van de grafelijkheid gebleven. Het wordt dan “‘s-Gravenwater”. of ook wel “Vroonwater” genoemd. De oud-saksische mannelijke vorm van frouwa (vrouw) is fro (man of heer). Vergelijk het Duitse Fronleichnamfest = Sacramentsdag, het feest van het lichaam van de Heer. De Poel behoort dus toe aan de “heer”, in casu aan de graaf van Holland.

De stad Leiden pacht het viswater
In 1433 verpacht graaf Philips van Bourgondië het viswater van De Poel aan de stad Leiden. Deze kon dit dan weer onderverpachten aan de Leidse vissers en zo kon dat dan voor de stad een goede bron van inkomsten zijn.
Maar ook onbevoegden wisten dat er in de Poel zeer veel vis zat en in 1451 verbiedt graaf Philips nog eens met nadruk het vissen in de Lissese Poel zonder toestemming van de stad Leiden. Tot 1622 toe heeft de stad Leiden van de opbrengst van de visserij genoten. Soms verneemt men, hoe verschillende “legers”, viswaters, zijn verpacht. Bij een leger achter de boerderij van Pieter Claesz, dat twee Leidenaars voor 16 stuivers per jaar gehuurd hebben. Men leest over de “Gerrit Evertspoel”, die gaat aan “’t zuidwest-einde aan de horn van des kloosterkamp” (achter het land van Gebroeders Meskers) “strekkende noordoostwaarts tot de halve Greveling”.
Ook over de “Stienpoel” en de “Luttekepoel” (Kleine Poel), dicht bij de Greveling. Daar staat veel “elst” in de rietbossen, en de noordwesthoek van de Poel, waar veel ruis (riet met planten ertussen) groeit, wordt de Ruishorn genoemd. Een horn is een bocht of uitspringende plek. (Nu weet u dus ook waar de naam Ruishornlaan vandaan komt). Achter Dever is de ‘Heer Reiniershorn’, genoemd naar de Heer Reinier Dever, zoon van Heer Gerard D’Ever, naar wie de ‘Gerrit Everspoel wasz genoemd’. Nog steekt daar een deel van het Deverland in de Poelpolder naar voren. Ten zuiden ervan was de Colijns Horn, genoemd naar Colijn, die daar met zijn moeder, Haasken, woonde. Maar laten wij nu eerst eens naar de Rooversbroek gaan, die ook in het bebouwingsplan van de Poelpolder betrokken is.

De Rooversbroek
Een eigenaardige naam. Rooversbroek. Men leest ook wel eens “Rozenbroek”. Maar waarschijnlijk is het toch wel een moerasland geweest, dat oorspronkelijk aan een zekere “Rover” of “Robert” heeft toebehoord. Toen in 1461 de parochie van Lisse werd afgescheiden van Sassenheim, bleef de Rooversbroek bij Sassenheim. Waarom? Veel mensen zullen er niet hebben gewoond. Misschien wel niemand. Nee, het ging weer om het geld. De Heren van Dever hadden in de kerk van Sassenheim een “vicarie” gesticht. Een “vicaris” moest daar missen lezen tot intentie van de heren van Dever. Tot onderhoud van de vicaris hadden ze landerijen aan de kerk geschonken en een aantal daarvan lag in Rooversbroek.
Omstreeks 1550 had Jonker Nicolaas van Matenesse, heer van Dever, die het goed met Lisse meende, de pastoor van Lisse, Laurens Willemszoon van Wees, tot vicaris aangesteld. Dat bracht 14 gulden per jaar op en dat geld kon de pastoor bijzonder goed gebruiken. Maar dat viel tegen. Tegen het opstuwende water van de meer waren de verwaarloosde dijken van de Rooversbroek niet bestand en telkens waren er overstromingen. Het onderhoud van de dijken kostte de pastoor meer dan de f. 14,- die hij kon ontvangen. Nu wilde hij dat land wel verkopen, maar dat ging niet, want het was kerkenland en dus in “de dode hand” gekomen. Daar moest een kardinaal aan te pas komen en dan de keizer zelf. Karel V, keizer van het Duitse Rijk, koning van Spanje en dan volgen nog lijsten van titels en landen waarover Karel V het bewind voert. Tenslotte nog “koning van de eilanden Indië en de vaste aarde der zeeoceanen” en “Dominateur in Azië en Afrika”, graaf van Holland en als zodanig ook nog heer van de Rooversbroek. Dit alles is voldoende om iedere bewoner van de Rooversbroek voor goed over alle minderwaardigheidscomplexen heen te helpen. Het is allemaal in orde gekomen. Tenslotte maakt jonker Nicolaas zijn zoontje Johan van Matenesse tot erfpachter van de landerijen en garandeert de pastoor een jaarlijkse som van f. 17,- uit te betalen “in de twaalf nachten”, dit is tussen Kerstmis en Driekoningen (6 januari) of op 1 mei f. 17,- Een heel bedrag. Wat zal die pastoor opgelucht zijn geweest.

Plan tot drooglegging
Leiden had drie grote parochiekerken: de Pieterskerk, de Pancras- of Hooglandse kerk en de Lievevrouwekerk. Deze kerken waren in handen gekomen van de protestanten en door verscheidene redenen financieel in goede doen gekomen. Ze zochten nu een goed beleggingsproject. Zulk een project was het droogleggen van de Lisser Poel. De Burgemeesteren en Regeerders der Stad Leiden richtten nu namens de drie kerken tot de Staten van Holland het verzoek aan deze kerken het octrooi te verlenen tot droogmaking van “het Geestwater”. Men moet bedenken dat dit plaatsvond in de tijd van een staatskerk en de samenwerking tussen kerk en burgerlijk gezag niet al te moeilijk hoefde te zijn. Op 23 juli 1622 valt in Den Haag een gunstige beslissing en de zaak kan beginnen.

Drooglegging
Men liet er waarachtig geen gras over groeien. Jan Pietersz Dou, gezworen landmeter van Rijnland, maakt een ontwerp, tekent een kaart. De Ringsloot wordt gegraven, die later om onbekende reden ook Rijnsloot wordt genoemd. In de lengterichting van de polder komt de “Molenwatering”, die uitkomt bij de molen aan de Meer. (Die molen staat er nog, al is hij intussen vernieuwd). Maar sommige schippers blijven maar varen en storen de werkzaamheden. Er komt een ‘Verbodt van Seylagie’, een verbod om te zeilen, dat ook voor de nieuwe Ringsloot geldt. Er wordt hard gewerkt. Het is met de rust van de bejaarde heer van Dever en Lisse, jonker Johan van Matenesse, gedaan. Hij trekt weg naar Utrecht, voorgoed. Er woonde in Leiden een rechtskundige, die ook met de droogmaking zijn bemoeienissen heeft gehad. Het is Mr. Simon van Leeuwen, zeker niet de minste onder zijn ambtsgenoten. Tussen de grootste vaderlandse rechtsgeleerden, wier beeltenis is opgesteld bij de trappen van het gebouw van de Hoge Raad te ‘s-Gravenhage, vinden wij ook het bronzen conterfeitsel van onze Mr. Simon van Leeuwen. Hij was ook familie van Bouwe van Leeuwen, die woonde op de plaats van de Witte Zwaan. (Deze had een “stukke grond aangeplempt” in de Lisser Poel aan de H. Geestarmen gegeven, het “Bouwe’s Bosje”). Mr. Simon van Leeuwen stond toe te zien bij het graven van de Ringsloot en zag hoe daar een achtkantige toren werd uitgegraven. Misschien wel een ouder kasteel Dever, overspoeld door het water. Daar is nooit iets naders over bekend geworden. In 1624 was de drooglegging een feit, het uitgeven van percelen kon een aanvang nemen.

Huizen in de Poel
Veel huizen zijn er in de Poel nooit gebouwd. Tot voor “enige” jaren tenminste! Het bekendste huis is ongetwijfeld Uitermeer. Het stond juist tegenover het uiteinde van de Verlaner Zandsloot ofwel Vennesloot.
Wanneer men via de Eerste Poellaan de polder binnenkomt, onmiddellijk aan de rechterzijde. Het behoorde toe aan Simon van der Stel, eerste gouverneur van Kaap de Goede Hoop. Later is het eigendom van Willem Adriaan van der Stel, gouverneur van de Kaap, overl. 1725. Zijn fraaie grafmonument is te vinden in het koor van de Nederlands Hervormde kerk. Ook verrezen enige boerderijen. Een der oudste, misschien wel de alleroudste, stond recht tegenover de Vliet (Staalsloot) maar deze is reeds lang weer verdwenen. De “boerderij van Langeveld”, (t Lange Rack) dateert van 1642. Dan is er nog de boerderij Poeleway van 1643.
Een aardige boerderij. Aanvankelijk zei men, dat deze gespaard zou worden, doch daarvan kwam niets terecht. Poeleway moest wijken voor de nieuwbouwplannen van Lisse.

Linksonder de boerderij De Poeleway aan de Greveling/Ruishornlaan. Iets verderop rechts zie je nog net een stukje Hohabo en rechts midden de ELKA… en rechtsonder de eerste huizen aan de Broekweg. En veel, heel veel bollenvelden in hartje Lisse. De foto is van begin vijftiger jaren toen de onleidingsweg (Oranjelaan en dergelijke) in aanleg werd genomen. Vanaf linksboven kun je het traject al zien richting Greveling, waar dus de brug (nu viaduct) moest komen.1111111111111111111

Overstromingen
In de Poelpolder is in vroeger jaren veel narigheid geweest. Bij hevige regens en windstil weer stonden vaak delen van de polder onder water, omdat de molen niet kon malen. In 1677 liep de hele Poelpolder onder.
Nu was dat natuurlijk niet zo’n ramp als dat tegenwoordig zou zijn. De boerderijen lagen hoger, bovendien was de inrichting zeer sober. Voor het grasland kon een overstroming zelfs wel eens goed zijn, vooral in een tijd dat er nog geen kunstmest bestond. Maar het brakke water zal het gras geen goed hebben gedaan. En dan het herstel van de dijken! In 1766 is er weer een gehele overstroming. De ingelanden, met name de kerken van Leiden, vragen 25 jaar vrijdom van belastingen. Dat vindt men in Den Haag nu wel erg veel. Tenslotte krijgen zij 15 jaar, maar ze zullen intussen de dijk behoorlijk moeten versterken. Dat zal wel gebeurd zijn, want het duurt enige tijd voordat men weer over dijkdoorbraken hoort. Kerstmis 1838, grote dijkdoorbraak en overstroming. Op 24 en 25 december stroomde de zaak weer onder. Piet Verdegaal slooft zich uit aan de dijk, maar het helpt niet. Er wonen niet veel mensen in de Poel en de brave Lissers vinden dat die het maar alleen moeten opknappen. De dijk gaat weer dicht, maar telkens moet Verdegaal bij nacht en ontij zijn bed uit en aan de dijk staaan. “Ik zit hier best naar mijn zin”, zegt Verdegaal, die van geboorte uit Vogelenzang komt, “maar als ze de Haarlemermeer niet droogmaken, dan ga ik weg”. Nu, Verdegaal kon blijven; in de vijftiger jaren van de 19e eeuw ging de Haarlemermeer droog. Het door de wind opgezweepte water van de Meer kon nu de Roversbroek en de Poelpolder niet meer bedreigen.
Er kwam rust voor de Poelpolder. Rust voor de mensen, voor het vee, rust voor de vogels, voor de hazen. Behalve natuurlijk als Verdegaal, Langeveld of de onvergetelijke Jaap Riggel met hun jachtgeweer over de weilanden stapten. Dan knalde het! Maar verder rust. Een paradijs.

Van Poelpolder tot Poelpolderplan
Nu ja, een paradijs. De wegen en dijken waren wel schilderachtig maar slecht begaanbaar. De percelen waren soms moeilijk te bereiken en elektriciteit en dergelijke modernismen trof men nog nauwelijks aan…. Het was heerlijk naar de kieviten te kijken, de grutto’s en tureluurs te zien op de houten landhekken, de karakieten te horen in het riet of om de kemphanen gade te slaan. Maar om er te wonen…. En toch wilden de meeste bewoners hun polder voor geen ander land ruilen. De ontsluiting, tevens ontluistering, begon toen de Rooversbroekdijk werd geslecht en door nieuwe wegen de polder beter begaanbaar werd gemaakt. Natuurlijk, het moest, maar jammer was het toch ook wel. Toen kwam de naar uitbreiding hakende gemeente op de gedachte, de Poelpolder te bebouwen. Een nieuwe toekomst voor vele Lissers. En natuurlijk kwamen ook Leidenaars weer vissen. Zij waren welkom, al is de vrijdom van belasting natuurlijk reeds lang verstreken.

Kaart van debedijkte Poelpolder door J. Dou in 1624

De foto de Grote Poelpoldermolen is genomen van de overkant van de Ringvaart van

Copyright © Vereniging Oud Lisse

HALFWEG DE TREKVAART VAN LEIDEN NAAR HAARLEM

Aad van Kampen heeft een artikel geschreven over de historie en plaats van de Halfscheidpaal, de grenspaal van Halfweg.  Tot op de dag van vandaag markeert een eeuwenoude, in de berm van de Leidsevaart, de trekvaart, stenen paal het punt halfweg tussen Leiden en Haarlem

door Aad van Kampen

Geo-Info, meinummer 2010

Stenen paal uit 1820 markeert ‘halfscheid’

. Toen de trekschuit nog voer, stond hier een herberg waar ook de paarden werden gewisseld. De pleisterplaats was eigendom van de gemeente Haarlem. Eerst kortgeleden is dit stukje grond teruggegeven aan Lisse

De 29 kilometer lange trekvaart tussen Leiden en Haarlem werd in 1657 in een recordtijd gegraven. Al in 1640 had een aantal Leidse textielhandelaren een verzoek ingediend voor een directe verbinding over water met Haarlem. Tot 1656 kon de aanvraag worden tegengehouden, bang als de concurrentie was voor andere vormen van vervoer. Maar de trekvaart was vooral bedoeld voor passagiersvervoer.
Waarom was de trekschuit zo’n populair vervoermiddel? Dat had te maken met het comfort van deze vorm van vervoer. De schuit – een lange, smalle boot met kajuit waarin zo’n vijfendertig passagiers konden worden vervoerd – had een constante snelheid van 7 kilometer per uur. De zitplaatsen waren voorzien van kussens en een ijzeren pot met brandende turf zorgde voor wat warmte. Vrouwen konden hun stoofjes gebruiken en de mannen konden een pijpje opsteken. Gespuugd werd er in een gezamenlijk potje of kwispedoor, dat op een gemeenschappelijke tafel stond.

Dampige reizen

Er werd overigens stevig gerookt tijdens de reis, dus het moet een dampige atmosfeer zijn geweest in het ruim. Ter ventilatie zaten er vier raampjes in de roef, bij regen en wind afgedekt met zeildoek. De reis nam overdag zeven en ’s nachts negen uur in beslag en kostte, omstreeks 1750, zeventien stuivers. Doordat bij iedere boerderij, bij elk dorp en iedere buitenplaats werd gestopt om passagiers in en uit te laten stappen of om goederen uit of in te laden, was deze vorm van vervoer niet altijd even efficiënt. Diligences en postkoetsen waren echter duurder en gingen minder frequent. En er waren ook nog weinig verharde wegen. Dat werd pas beter na 1806 tijdens de Franse bezetting, toen Lodewijk, de broer van Napoleon, tot koning van Holland werd benoemd. Iedereen lachte om zijn gevleugede woorden: ‘Iek ben Konijn van Olland.’
Halverwege lange trajecten werd even halt gehouden. De passagiers konden dan de stramme ledematen strekken, het gemak (toilet) bezoeken of een hapje eten. Dat deden ze op de route Haarlem-Leiden in Halfweg, een huisje dat vlak aan de vaart lag. Het is helaas is afgebroken.
Iedere trekschuit had drie man personeel: een schipper, een knecht en een jagertje. Dit jagertje, een jong ventje, mende het trekpaard dat over het smalle jaagpad liep en de boot voort trok. Alleen wanneer de boot een brug naderde werd het paard losgekoppeld. De schipper boomde dan de schuit door de openstaande brug, waarna het paard aan de andere kant weer werd ingespannen.

Weilanden en duinen

Omstreeks 1750 ging de trekschuit om de twee uur. Om half zeven ’s avonds vertrok de laatste boot. De reis was niet zo boeiend. Volgens de Engelse toerist avant la lettre Robert Cooper stonden er bijna geen buitenhuizen langs het traject, hooguit wat kalkovens. Daarna hoofdzakelijk lage weilanden met op de achtergrond de duinen. In de buurt van Haarlem werd het terrein weer wat hoger, maar door de rijen knotwilgen, elzen en beuken had je vanaf de trekvaart nauwelijks uitzicht.
Door verharding van de doorgaande wegen, de betere diligences, maar vooral door de komst van de spoorlijn in 1842 werd de trekschuitdienst steeds minder rendabel. Dat leidde in 1860 tot het opheffen ervan. In het topjaar 1677 werden 148.397 personen vervoerd. In 1811 waren het er 32.520 en in 1844 maakten slechts 5.128 personen gebruik van de trekschuit.

Jubileum in 2007

Volgend jaar bestaat de Trekvaart 350 jaar. Het Cultuur Historisch Genootschap Duin- en Bollenstreek werkt aan een boek en een expositie. Ook Uw vereniging wil samen met Museum de Zwarte Tulp een tentoonstelling inrichten. Er bestaan ook plannen om een oude trekschuit opnieuw te laten varen tussen Haarlem en Leiden.