Berichten

Mijnenveger Lisse te water gelaten op 17 mei 1956

In 1956 is een schip te water gelaten met de naam ‘Lisse’.

Redactie

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 1 Winter 2018

Vader en dochter De Graaf zien toe hoe moeder met het bijltje hakt

Het is 17-05-1956. We staan op de kade bij de scheepswerf van E. J. Smit & Zn. te Westerbroek een plaatsje aan het Winschoterdiep in de provincie Groningen. Er staat een scheepscasco op stapel, zo ver klaar om in het water te glijden. Een feestelijke gebeurtenis en een drukte van belang. Tussen al die mensen zien we een deftige dame, dat is de vrouw van burgemeester De Graaf. Zij mag de bijl hanteren waarmee de naam van het schip wordt onthuld. Deze handeling zorgt er ook voor dat een fles champagne naar de boot slingert en met ferme smak openbarst tegen de houten scheepswand. Mevrouw De Graaf laat de woorden “Ik doop u met de naam Harer Majesteits Lisse” door de luidsprekers galmen. Tegelijk komt het gevaarte in beweging om niet te hard van stapel te lopen. Ruim 14 maanden eerder, op 10 maart 1955 werd ze daar op stapel gezet en na nog eens een kleine 9 maanden, op 22-02-1957 is ze helemaal afgebouwd en werd ze officieel in dienst gesteld.

Hr. Ms. Lisse mijnenveger de M843 voor anker in de haven van Delfzijl

Burgemeester De Graaf van Lisse krijgt het eenheidswapen van de commandant van de Hr. Ms. Lisse overhandigd.   

Dat in dienst stellen gebeurde in de haven van Delfzijl. Dat was ook weer een feestelijke gebeurtenis waarbij burgemeester De Graaf een kopie overhandigd kreeg van het onderdeelswapen. Waarna de mijnenveger met het naamsein M843 van de Wildervank-klasse kon gaan doen waar ze voor gemaakt is, gevaarlijke mijnen in de Noordzee onklaar maken om de scheepsroutes veilig te stellen. Bij zo’n tewaterlating kon je beter niet aan de tegenoverliggende kade staan. De kans dat je door de ontstane vloedgolf een behoorlijk eindje verderop werd neer gesmakt was niet klein. Het schip werd in 1963 omgebouwd tot hulpwerkschip bij duikwerkzaamheden. Dat was verloren geld want het schip heeft nooit voor dat doel dienst gedaan. In 1969 werd het schip uit de zeemacht genomen en verkocht. Met vier andere schepen uit die zelfde klasse ging het in één koop onder de slopershamer voor ƒ811.600,-. ■

Mijnenveger “Lisse”.
Deze foto’s en van de hartpagina uit VOL archief, met dank voor toestemming te publiceren aan het Nationaal Archief te ’s Gravenhage

Betekent Lys helder water?

De betekenis van Lis of Lys houdt de gemoederen nog altijd bezig. Volgens de schrijver kan Lys hetzelfde zijn als Lee of Leede. Mogelijk ontstond in Lisse een beek, die langs Sassenheim en Warmond uitkwam in de Rijn bij de Lange Mare in Leiden.

Deen Boogerd

Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 3 zomer 2017

Vraag aan meerdere etymologen naar een uitleg van de naam Lisse en je krijgt net zoveel of nogmeer antwoorden. Eén van onze enthousiaste vrijwilligers heeft in de serie “sporen van vroeger”in het LisserNieuws zo’n beetje alle mogelijke verklaringen de revue laten passeren om de naam “Lisse” te duiden. Lys, Lisse of een vervorming ervan wordt vaker gebruikt als naam.

Meer hondjes die Fikkie heten!

Een opsomming van wat ik zoal tegen kwam en er is nog veel meer. Wat mij opvalt als overeenkomst geef ik in blauw aan. Hoog in de Alpen bij de grens Zwitserland-Italië, is een bergrug “de Lyskamm” (witte bergrug) bestaande uit vier toppen met een gigantische gletsjer. Uit die ijsmassa ontspringt een bergrivier “de Lys”. Zij stroomt door de “Valle du Lys”(opvallende heldere stroom). Lisieux, grote en ſchone Stadt in Opper Normandyen, aan den vloed* Lezon. (uit Algemeen Woordenboek Des gantſchen aardrijks 1710). Rivieren en beken werden ook wel “vloed”vgenoemd. Lys, gehuchtje in het departement Pyrénées-Atlantiques ligt bij een onopvallend bergbeekje, de huizen en het kerkje zijn wit.

Saint-Martin Lys plaats aan de rivier de Aude in de flanken van de Pyreneeën. Het wildwaterriviertje stroomt door het Pierre Lys gebied met blanke rotsen (Pierre, Petrus, petra, rots, – Lys, blank, blanco, onbevlekt). Dammarie-lès-Lys, plaats aan de Seine. Lisses,  tadsdeel van Evry, vlakbij Parijs aan de Seine (plein hier is “Square du Village” is Vierkant van het Dorp). Lys-Saint-Georges, een plaats in het departement Indre (regio Centre-Val de Loire) aan een meanderend helder riviertje de Gourdon. Dent  de Lys is een berg in de Berner Alpen, met besneeuwde toppen op een hoogte van 2.014 m. Brugge was hoofdstad van een Frans departement (département de la Lys) in de Nederlanden, genoemd naar de rivier de Leie. Sailly sur la Lys, (Nederlands: Zelleken of Zellebeke) ligt op de grens tussen België en Frankrijk. In departement Pasdu -Calais stroomt de rivier de Lys, die aan de Belgische kant de Leie wordt genoemd. Capelle sur la Lys gehucht langs de Leie met een Kapelstraat (Reu de la Capelle) met een pittoresk kapelletje.
Erquinghem-Lys (Nederlands: Erkegem-aande-Leie) deze gemeente ligt iets noordelijker. Aire sur la Lys (Nederlands: Ariën-aan-de-Leie) Lissewege, West Vlaanderen Lissewege, het witte dorp. Lisse, Zuid-Holland, 9de eeuw Lux, de naam Lux “zal wel een verkeerde spelling zijn”, zo wordt geschreven bij een uitleg. Echter dat een x verandert in een s, ss of ks is niet vreemd, daarover straks meer.
Fleur de Lis (ook fleur-de-lys of Franse lelie) wordt gebruikt in de heraldiek, waar ze vooral geassocieerd wordt met Frankrijk. De lelie is in de leer der emblemata een symbool van de maagd Maria,c zuiverheid en maagdelijkheid. De naam betekentletterlijk leliebloem, het symbool is in feite een gestileerde Lis, een helder gele bloem.
“De Tranen van Lys” is een zeldzaam en duur vergif. Het is helder en zo zoet als water en het laat geen sporen na. “Lys is een vrijstad in Games of Thrones” ! Lisse, op veel verfblikken vermelding in het Frans voor glad in de vorm van glanzend (uitspraak is lies). Lys in de scandinavische talen als zelfstandig naamwoord licht, schijn, schijnsel en als bijwoord hel, helder, klaar en licht.

Overeenkomsten?
De Lyskamm met haar Gletsjer en de maagdelijke sneeuw op haar toppen ook op de Col du Lys. Lisse is ook glans en effen als het gaat om verf. Witte rotsen van “Pierre de Lys” die het zonlicht weerkaatsen, net zo hard als een blanke top der duinen. Al is het donker, de gele Lis waarschuwt als een helder brandende kaars, ”niet verder lopen anders verzuip je in het moeras”! Maria heeft “de fleur de Lis” als symbool van reinheid (onbevlekt). Zoeken naar overeenkomsten is een manier om iets te leren over de herkomst van een naam. Het woord helder in de vorm van ongerept, onaangetast, klaarheid en rein, zie ik een gelijkenis met Lisse, dat vroeger ook Lys werd genoemd?

La Lys in Frankrijk, de Leie in België

De rivier “la Lys” in de opsomming van naamgenoten spreekt mij het meest tot de verbeelding. Zij ontspringt in Nord du Calais bij Lisbourg (in het Nederlands Liegesboort uit “Legios burthi”, betekent ‘geboorteplaats of bron van de Leie’.) Deze Leie, die in Gent samenvloeit met de Schelde, werd voor het eerst vermeld in een Latijnse akte uit 694 als “super fluvio Legia” dat is ‘boven de stroom Leie’. De Kelten noemden deze beek al “Legia” wat overgenomen werd door de Romeinen. In het 33ste jaarboek 2008 van Ons Erfdeel vzw in “De Franse Nederlanden” staat een verslag over een reis langs de Leie van Luc Devoldere. Als startpunt van zijn reis langs de Lys/Leie begon hij bij de bron. Over de bron had hij gelezen dat ze regen kon voorspellen want dan gaf ze minder helder water. De mate van troebelheid zei iets over de grootte van de te verwachten bui. Toen hij begon met de reis regende het pijpestelen. Het water van de ‘Lys’ was die dag niet ‘lisse’, rimpelloos en helder: het was blauwgrijs en werd al heel snel modderbruin. Dit lezende moest ik denken aan de Barnsloot die parallel aan het spoor loopt langs het veen. Het water is daar niet lisse/helder het water is bruin gekleurd door het veen. Het water dat aan de voet van het Berckhouterduin uit de grond welde was wel lisse, klaar en helder. Jan de Graaff beschrijft “de Beeck” (Kerksloot), die toen nog stroomde door de “Mossenhof”, in zijn Lisser Arkadia als volgt. ±1765.
“terwijl een beekje stroomt
dat als kristal vertoont
in zuivere klaarheid”
Heel kort samengevat maar wel een helder stukje. (pag.46 uit “t Roemwaard Lisse”)

Klanken in het Hollands dialect

Van Jacques van der Velden (etymoloog) kreeg ik o.a. de volgende verklaring toegestuurd. Waar sommigen zeggen dat Lux niets met Lys te maken kan hebben, zou ik zeggen dat het heel goed mogelijk is dat Lis, Lisse ‘helder of licht’ kan betekenen, gezien de oudere vormen Lux en Ljusne. Vergelijk fox-fuchs, met luxleucht, licht en denk aan ox-os, vox-vos, Xanten-Santen, Bruxelles-Brussel, Saxnem-Sassem, Xander-Sander, men schrijft Texel en zegt Tessel. Hollandse dialecten maken dus van een x vaak een s-klank. Zo zou lux in oud-hollands als lusch of lisch kunnen klinken.

Waternamen of hydroniemen zijn de oudste namen die we kennen. Als betekenis voor de naam Leiden komen we uit op waterleiding als waterloop en welke in velerlei variaties voorkomt zoals Lee, Lei, Liede, Leede en Leie. Dit kan een gegraven waterloop zijn maar evengoed een natuurlijke of een rechtgetrokken en verdiepte beek. Het zal waarschijnlijk niet toevallig zijn dat de ‘echte Leidenaar’ “Leie” zegt i.p.v. Leiden. Als Leie en Lys in betekenis het zelfde is dan is er ook een koppeling naar Lee of Lede. Op Wikipedia staat een beschrijving over “de Lee of Lierwatering” een riviertje in het Zuid-Hollandse Westland dat stroomt door het centrum van De Lier. De plaatsnaam De Lier komt van het riviertje De Lee. In oude geschriften spreekt men van de Lihora ook wel Liora, wat de heldere betekent.

Als Lys, Leie, Lee en de Leede het zelfde is, zou Lys dan het brongebied van de Lee/Leede
zijn? Met in het verlengde ook de Mare die in hartje Leiden uitstroomt in de oude Rijn. Menno Dijkstra schrijft in zijn boek “Rondom de mondingen van RIJN&MAAS” dat Lys best weleens naar een riviertje genoemd kan zijn. Laten we eens beginnen bij het einde waar “de Mare of Maren” (is Waterloop) uitstroomt in de Oude Rijn”. Daar heet ze “Stille Mare”, voorbij de Haarlemmerstraat heet ze de “Lange Mare”.

Aan de ander kant van de “Oude Vest” de “Nieuwe Mare”, onder de “Marepoortbrug” door heet ze gewoon de “Mare” en op oude kaarten “Maren”. Tot bij het “Warmonderhek”cis ze gekanaliseerd en heet ze nu Haarlemmertrekvaart. In Noordelijke richting draagt ze de naam “de Leede” (is waterloop) na de spoorbrug heet ze “Warmonderleede” en nog wat verder is zij “de Hoflee” die

De Mare was geen gracht maar een rivier, die als een parelsnoer het decolleté van Leiden sierde. Wie verstopt nu zoiets schitterends.? ±1920 (collectie Jan Mark)

achter Sassenheim langs stroomde als “de Lee” langs het land van Floris Schouten bij de Cleypoel. (rechtelijk archief Sassenheim 255. 20-09-1609 ook 105v. 17-2-1601) . hr. Nicolaes Paets van Santhorst verkoopt Jan Janszn. 11 hond weiland genaamd de Bellecamp volgens de oude brief van 7-3-1510 en nu groot 9 hont, belend NW en NO het water genaamd de Lee, ZO het water genaamd Cleypoel. Hier lees je dat het land wordt opgevreten door het water eerst 11 hont later nog maar 9 hont, dus de Poel is dan nog steeds groeiende. Ergens bij de Pallandtlaan passeert de Lee “Huys ter L eede”vlakbij dat mooie oude Sassenheimse zwembad. Vervolgens vormt ze al kronkelend de grens tussen oude kavels en voorbij de “Bonte Krielpolder” volgde ze de diepste delen van het Geestwater.

Berckhouterduin was de bron van meerdere beken. Lisse was geheel omgeven door watertjes, ook één die door het dorp stroomde. Detail uit een kaart van Balthasar Floriszn. van Berckenrode 1615.

Bij de “Ruishorn” komt ze weer te voorschijn als de “Graft” (eigenlijk een verbrede beek) tot aan de molen. Daar vandaan werd de “Graft” recht gegraven wat de haven van Lisse werd. Iets ervoor stroomt de “Kerksloot” in de kromming van de “Graft”. Ten Noorden van de molen is de “Lisser Beeck” die bij de “Verboogervaert” is doorgetrokken naar “de Lisserham” waar ze uitwatert in het Haarlemmermeer. Met een mooie bocht kwam ze achter het “Berckhouterduin” vandaan. Bij Lisse was dat water nog lys, maagdelijk en drinkbaar, naarmate het de zandgronden verliet werdhet door het veen steeds donkerder gekleurd dus minder lys. Als we de kaarten goed bekijken zien we dat vanuit het Berckhouterduin vier waterlopen stromen. Eén beek stroomde rechtstreeks door het dorp van Lys, langs de Brouckwech en mondde bij de Heul uit in de Beeck. Vanuit het duingebied stroomden een stuk of negen waterlopen die in de Lisserpoel uitwaterden. Lisse was bij uitstek een “vloedorp”, een brongebied van vele vloeden. Was de Heereweg dan toch de “Vloedorperlaene” voordat de Oude Heereweg het toevoegsel “oud” erbij kreeg? Onderstaand stukje uit de stamboom van familie Westgeest geeft genoeg vloed om lekker in te duiken voor een volgend artikel.

zonen van Vranck Matheusz

1. Dirck Vranckensz, geboren ± 1470, overleden na 1550. Kastelijn van Dever. Vanaf ±1497 pachter van 3,5 hont geestland van percelen, liggend, strekkend aan de Sijp met de N.O. zijde aan de Vloedorperlaan te Lisse, vorige pachter zijn broer Huijch Vranckensz. (bron2)(IV/001)
2. Huijch Vranckensz, geboren ±1475, overleden voor 1543. Gehuwd met Maritgen n.n. overleden tussen 1553 en 1556. Tussen ±1495 tot ±1497 was hij pachter van 3,5 hont geestland van percelen liggend strekkend aan de Sijp met de N.O. zijde aan de Vloedorperlaan te Lisse, vorige pachter zijn vader Vranck Matheussz. (bron2)(IV/002)

Hoe een uitgaansdag in 1845 tragisch eindigde

Na bezichtiging van het nieuwe gemaal de Leegwater sloeg de boot om. Sijmen Barnhoorn, Jacob Koopmanschaap en Cornelis van Riek verdronken  toen.

door Dirk Floorijp

NIEUWSBLAD Jaargang 12 nummer 1, januari 2013

Ze gaan met hun zeilboot richting Buitenkaag om het gemaal de Leeghwater te bekijken. De machtige stoommachines in bedrijf te zien die de Haarlemmermeer moeten leegpompen, en met elke slag 88 m3 water de ringvaart in te lozen. De Leeghwater maakte op 22 juli 1845 zijn eerste slag. In 1849 kwamen de gemalen Cruquius en Lijnden erbij en was de klus in 1852 geklaard. Het was een wonder om te zien en daarvan getuige te zijn. Met vijf man waren ze vertrokken en na een enerverende dag tegen de avond huiswaarts getrokken. Ter hoogte van de Greveling sloeg echter het noodlot toe. We volgen het proces dat door de politie toen is opgetekend. Procesverbaal Op heden 10 augustus 1845 savonds ongeveer 7 ure compareerde voor ons mr. Johannis Cornelis van Rossen Burgemeester van Lisse, Anthonie Beltzer, koetsier oud 33 jaren wonende te Hillegom, en Petrus Johannes Hageman tuinman, oud 56 jaren mede aldaar woonachtig,welke ons verklaarden. Dat zij van eene zeilpartij ter bezichtiging van de leeghwater terugkerende in de ringvaart in de omtrek der Greveling waren omgeslagen en drie der hunnen verdronken waren – als- Sijmen Barnhoorn, jager oud 46 jaren Wonende te Hillegom. Jacob Koopmanschap, timmermansknecht oud 29 jaren wonende te Weespercarspel, thans werkende te Hillegom en Cornelis van Riek oud 26 jaren wagenmakersgezel, bij zijne moeder weduwe wonende te Lisse. Cornelis zijn vader Jacob Jansz van Riek was reeds in 1833 overleden, gehuwd met Maria Ariensdr. van Noort. en woonden bij het Vierkant. Dat zij omgeslagen waren, toen zij den schuit wilden wenden om een haak te krijgen die hun ontschoten was, Denkelijk door eene te hevige windvlaag, of het vast blijven houden der schoot. dat bij het omslaan hij koetsier uit gesprongen was en zwemmende de wal bereikt had. Dat onder zijn zwemmen hij door den wagenmaker was achterhaald en deze zich aan hem vastgeklampt had, dat hij zich echter losgewerkt had en daarna den wagenmaker niet meer gezien had, dat hij tuinman met den jager en de timmermansknecht bovenvermeld op den bodem der schuit waren geklommen dat de schuit daarop gezonken zijnde hij zich andermaal aan den schuit heeft vastgehouden, terwijl hij de andere twee vlak nevens elkander zwemmende gelijkelijk heeft zien zinken, dat na op het geroep van den koetsier eenige poldergasten aan de greveling wonende, waren te hulp gekomen en hem in hunne schuit geholpen hadden, dat zij als nu niets anders bij zich hebbende dan boomen zonder haken en de vermisten reeds om het half uur waren onder geweest en er andermaal teveel tijd moest verloopen eer men zich van haken had voorzien zij gemeend hadden dat aan geen redding meer te denken was en besloten hadden om van het gebeurde slechts aangifte te gaan doen. Van welke aangifte na gedane voorlezing dit relaas is ondertekend. A.Beltzer P.J.Hageman J.C.van Rossen Nog compareerde de gemelde poldergasten Willem van Genderen oud .. tig jaren wonende te Sliedrecht en Jan Gelerblom oud 22 jaren wonende te Hartingveld beiden thans aan gemelde ringvaart werkend- verklarende: dat hij op het geroep van zijn dochtertje was buiten gekomen, eenige menschen in het water had zien worstelen maar dat eer hij een schuit had losgemaakt om er heen te varen niets meer gewaar was geworden dan een man die tegen den dijk opkroop. Dat de tegenwind en stroom het naderen vrij onmogelijk en langdurig gemaakt had en hij ter plaatse komende behalve den man die tegen den dijk geklommen was nog een man even met het hoofd boven water had gevonden zich vasthoudende aan het boord van een omgeslagen schuitje, dat hij overigens uit consideratie als boven besloten dan met de geredden en zijn schuit naar het dorp te vervoeren. De comparanten verzocht dat relaas te ondertekenen verkaarden niet te kunnen schrijven. Op 12 augustus 1845 doen de overlevenden Antonie Theodorus Beltzer, koetsier en Petrus Johannes Hageman, timmerman op het gemeentehuis van Lisse aangifte van het overlijden van hun drie kameraden in de akten nr. 27, 28 en 29.

Bron:

Gemeentearchief Lisse inv.nr.1115 , Bevolkingsregister Lisse

Gemaal de Leeghwater in 1846

De voet van de oude benoorden Rijnse Wendeldijk teruggevonden? Was dit de grens tussen Lisse en Sassenheim?

De ambachtsgrenzen werden vroeger bepaald door herkenbare elementen in het landschap. De grens tussen Lisse en Sassenheim is praktische een rechte lijn. Wat was de herkenbaarheid in het landschap dat deze grens bepaalde? Aad van der Geest maakt duidelijk dat dit een dijk geweest kan zijn, die de ambachten langs de Oude Rijn moesten beschermen van het oprukkende water vanuit het noorden en het oosten.  Dit was een zg Wendeldijk.

door Aad van der Geest

Uit de Aschpotter: Jubileumuitgave Stichting Oud Sassenheim 1990-2010

Zoals de titel doet vermoeden is de voet van de oude Wendeldijk thans niet meer traceerbaar. Het gaat hier om de oude Wendeldijk van het benoordenrijnse deel van wat we nu het Hoogheemraadschap Rijnland noemen. De toevoeging ‘oude’ impliceert tevens dat er op latere datum ooit een nieuwe dijk aangelegd zou zijn. Maar wat is nu eigenlijk een Wendeldijk? Hoe oud zou hij nu dan wel moeten zijn en hoe lang is dit vermaledijde stuk aardwerk al zoek en waar begon deze dijk dan wel?

Een Sidewende of Wendeldijk

Een samenloop van omstandigheden noopte de bevolking in het westen van het oude graafschap Holland haar blik te richten op de veenlandschappen ten oosten van de oude strandwallen. De groeiende bevolking werd als het ware oostwaarts gedwongen. Dat kwam mede door de vorming van de jonge duinen, wat in de loop van de 10de eeuw begonnen moet zijn, met de daaraan gepaard gaande overstuivingen van akkers en graslanden. Op het vruchtbare veen was het goed mogelijk om graan te verbouwen, maar het diende hiertoe wel ontwaterd te worden omdat dit graan pas goed groeit als de grond niet al te vochtig is.

Maaivelddalingen in noord-oost Sassenheim

In het begin groef men derhalve heel simpel afwateringssloot­jes, die voor dit doel voor een be­paalde tijd afdoende bleken. Als gevolg van ontwatering en oxidatie (dit is het verdrogen van de bovenkant van het veen, dat vervolgens door de wind weg­geblazen wordt) klonk het veen echter in en werd na verloop van tijd de waterhuishouding steeds problematischer. Men begon op lokaal niveau te werken met (restveen)dijkjes om het water buiten te houden. Wat in de tweede helft van de 10de eeuw een aanvang had ge­nomen, bleek een goede 100 of 150 jaar later niet meer zo een­voudig uitvoerbaar.

Een Wendeldijk is een dijk die haaks op de hoofddijk wordt aangelegd, met als doel: de bescherming van de oudst ontgonnen gebieden. Die la­ger gelegen gebieden kunnen zo beschermd worden tegen het drangwater van de naast liggende hoger gelegen gronden. Er kon toen namelijk nog geen gebruik worden gemaakt van windwatermolens; die kwamen pas later (1408).Bemoeienissen van lokale en regionale overheden bleken onvermijdelijk en zo ontstonden onderlinge afspraken en organisaties. Als rond 1163 de Rijn­mond bij Katwijk verzandt, heeft men pas echt een probleem met de afvoer van het overtollige water. De (voorlopige) oplossing hiervan bestond uit de aanleg van een zogenaamde Wendeldijk.

Ouderdom van de Wendeldijk

Na de verzanding van de Rijnmond in 1163 en de problemen die dat qua wa­terafvoer in het gewest Rijnland met zich meebracht, probeerde Graaf Floris III dit probleem aan de oostgrens op te lossen door het leggen (of herstel­len) van een dam in de Rijn, de zgn. ‘Suadenburgerdam’ (Zwammerdam). Hierdoor was hij verlost van watertoevoer uit het Utrechtse (het Westelijk Nedersticht). Niet dat de Utrechtse bisschop hier blij mee was, want keizer Frederik Barbarossa zelf moest er in 1165 aan te pas komen om het geschil te slechten. Helemaal verwijderd is de dam nooit. Later in 1202 en 1226 blijkt hij nog gewoon te bestaan. Intussen moesten 15 zogeheten ambachten van Rijnland hun blik noordwaarts richten om zich van het overtollige water te ontdoen via het Oude Leijdsche Meer. Dat was toen nog een min of meer zelfstandig binnenwater, dat in verbinding stond met het Haarlemmermeer en dat via het Spaarne weer op het IJ kon lozen. De oudste vermelding van het Leijdsche Meer stamt uit 1248, maar er moet iets van een voorloper ge­weest zijn. Waar anders kon Leimuiden in 1163 reeds op lozen? De storm­vloeden van 1170 en 1196 veroorzaakten de scheiding tussen Friesland en West-Friesland, de vorming van de Zuiderzee (voorheen Flevomeer) en een open verbinding met het IJ, waarop zoals gezegd, het Spaarne weer kon lozen. Reeds vóór 1200 werden derhalve twee natuurlijke veenstromen, die indirect zelf al in het Leijdsche Meer uitkwamen, doorgegraven tot aan de Oude Rijn: te weten de Does en de Zijl.

In 1202 beloofde Graaf Dirk VII de toch nog (of weer) bestaande dam bij Zwammerdam op te ruimen als Utrecht als tegenprestatie drie wateringen zou graven. Vanaf Oudshoorn (nu Alphen a/d Rijn) was dit de Woudwe­tering, die liep tot aan het huidige Paddegat bij Roelofarendsveen. Het eerste gedeelte vanaf Alphen heet tegenwoordig Heimanswetering, Deze Woudwetering ging over in de Roelevaert, die we moeten zoeken langs het traject van het huidige Zuid- en Noordeinde in ‘Roele-vaerts-veen’ (Roelofarendsveen). Deze Roelevaert kwam weer uit in de Googh, die uiteindelijk uitwaterde op het Leijdsche Meer. De Googh heette later ‘Molentocht’. Hier­ mee waren de drie Utrechtse weteringen een feit. Als de Braassem zijn huidige vorm gehad zou hebben, was de route over het Zuideinde vol­strekt onlogisch geweest. Maar de verbinding van de Woudwete­ring met de Googh, via Zuid- en Noordeinde (de Roelevaert), is de meest voor de hand liggende. De Does kan via de Wijde en Nauwe Aa bij het Paddegat de Woudwetering/Roelevaert overstekend een route hebben gevolgd naar de Oude Wetering. Mogelijk komt hier ook de gemeentegrens door de Braassem vandaan. In 1226, na wéér geharrewar over de Zwammerdam, besloten Holland en Utrecht zeven sluizen in de Wendeldijk aan te leggen, waarvan Utrecht er drie zou moeten onderhouden. Aanvankelijk zal de Wendeldijk mogelijk slechts een eenvoudige (restveen?) dijk geweest zijn, maar voor deze gele­genheid zal hij toch verhoogd en verzwaard zijn, ook al vanwege het nieuwe gevaar uit het noorden. Een exacte datering van de Wendeldijk is natuurlijk uitgesloten, maar vanaf 1200 kan hij in enigerlei vorm toch wel aanwezig zijn geweest.

De Wendeldijk is al eeuwen zoek

Twee geweldige stormvloeden van 20 november en 28 december 1248 ver­grootten de al eerder ontstane Zuiderzee en het IJ. Het gevaar voor nog meer wateroverlast vanuit het noorden bedreigde het Rijnland. Dit probleem werd opgelost door het leggen van de zgn. Spaarndam op de plek waar het Spaarne uitkwam op het IJ. In 1253 gaf Graaf Willem II toestemming voor de aanleg van een schutsluis t.b.v. de scheepvaart, omdat het verschil in waterniveau bij tijd en wijle te groot moet zijn geweest of omdat de ongetwijfeld reeds aanwezige spuisluizen hier te klein of te onhandig waren. De Spaarndam bestond uit een Zijdwinde of Wendeldijk vanaf de Santpoortse duinen tot aan de monding van het Spaarne (de huidige Slaperdijkweg). Dan volgde de eigenlijke Spaarndam, die weer doorliep op de zogeheten Zeedijk, aan­gelegd aan de zuidoever van het IJ richting Amsterdam (de huidige Hoge Spaarndammerdijk). Ten westen van Amsterdam sloot deze dijk aan op één of ander gigantisch dijkwerk dat doorgelopen moet hebben tot ergens aan Waddinxveen en diverse trajecten moet hebben gekend. Dit geheel was in feite de Zwammerdam en de beheersbare opening in de Rijn bij de plaats Zwammerdam zelf, slechts het doorlaatpunt van het Rijnwater. Vanaf Wad­dinxveen tot aan Wassenaar/Waalsdorp werd Rijnland beschermd door de Zijdwinde of Ovenzijdwinde, de latere landscheiding tussen Rijnland en Delfland/Schieland.

Tussen 1286 en het einde van de 13de eeuw moet Rijnland omgeven zijn ge­weest en beschermd zijn, door diverse dijkwerken. De 15 oorspronkelijke ambachten waren vanaf 1253 reeds uitgebreid tot 24 ambachten, die allen gelegen waren aan of loosden op de Rijn. Sassenheim, evenals Lisse en Hil-legom behoorden hier niet bij, want ze konden aan de oostkant zelfstandig lozen, maar ze waren wel dijkplichtig. Voorhout en Warmond zullen aan­vankelijk via via op de Rijn geloosd hebben, maar vanaf 1327 kon dit op de Poelen bij Warmond (Hemmeer), na de doorgraving van de Dinsdagsewetering door de strandwal heen (bij de huidige Korenmolenbrug). De oude Wendeldijk, die dus de voorloper was van het geheel aan dijkwerken (ge­makshalve aangeduid met de naam Spaarndam), was in 1310 in opspraak vanwege de sluisvisserij, die schade toebracht aan de spuisluizen of deze zelfs verstopte of blokkeerde. Dat het hier om onze Wendeldijk gaat is vrij­wel zeker, want de voet van de Spaarndam werd altijd aangeduid als Zijd­winde en had geen sluizen. Deze lagen alleen in de Spaarndam zelf (in 1255 ‘Spernedam’ genoemd). In 1310 bestond de Wendeldijk dus nog, zij het als een soort slaperdijk. Maar daarna wordt het stiller rond onze dijk. In de 16de eeuw worden overblijfselen ervan nog genoemd als eigendom van de Heer van Alkemade.

Later wist Jan van Hout (1542-1609), die onder andere stadssecretaris van Leiden was, er niet veel meer over te vertellen dan dat deze Wendeldijk vol­gens overlevering van Sassenheim naar Alkemade zou hebben gelopen. Op een 17de  eeuwse kaart van J. R Dou komen we voorts nog de naam ‘Wendeldijckshouck’ tegen tussen de Kaag en de Nieuwe Wetering. Nog weer later komt deze illustere dijk een paar keer voor in enkele fantasie­voorstellingen omtrent de geschiedenis van het Haarlemmermeer.

De voet van de oude Benoordenrijnse Wendeldijk

Oude volksverhalen willen nog wel eens een kern van waarheid bevatten en de overlevering, waar Jan van Hout het over had, kon wel eens kloppen. Een Wendeldijk is een land/binnen-dijk die haaks op de hoofddijk staat. De oost- en westgrens van ons dorp wordt gevormd door het water en onze oorspronke­lijke zuidgrens door de oude Dam, die weer de grote bocht van de Oude Vliet volgde.

Onze noordgrens is echter een rechte lijk van west naar oost, haaks op de strandwal en deze grens is m.i. de voet van de oude Wendeldijk. Hoe zag dit er nu vroeger uit? In 1310 was er, zoals gezegd, nog steeds spra­ke van de Wendeldijk. De extreem hoge rivierwaterstanden van juni 1322 hadden een ernstige doorbraak van de Lekdijk Bovendams bij Vreeswijk tot gevolg. Daardoor stortten grote watermassa’s zich uit over het vaste land van Utrecht en Zuid-Holland. Deze overstroming leidde tevens tot de aanleg in 1330 van de Hoge Rijndijk dwars door Rijnland. Ook de Wendeldijk heeft zich blijkbaar niet kunnen verweren tegen de opgezweepte watermassa’s. Waarschijnlijk is toen de Dieperpoel en in ieder geval de Cleypoel gevormd. De Cleypoel was de zuidelijke uitloper van de oorspronkelijke Lisserpoel en bevond zich grotendeels op Sassems grondgebied.

Het traject van onze noordgrens dwars door de huidige Poelpolder heen is opmerkelijk en moet ver voor 1322 reeds bestaan hebben. Een akte uit 1346 geeft aan dat ‘den Cley-Poele’ toen in ieder geval al bestond. Was onze noord­grens jonger dan 1346, dan zou hij beslist om de Cleypoel heen gelegd zijn, maar de grens loopt er dwars doorheen. Ondanks het landverlies bleef men de oude grens handhaven, mogelijk geijkt door twee herkenningspunten op de west- en oostoever, te weten de restanten van een oude dijk. Op 7 mei 1322 vormde de Wendeldijk blijkbaar nog de noordelijke begren­zing van de heemwerf en de 16 morgen land van Heer Dirk van Sassenheim. Hij woonde op de oude Hofstede, die was gelegen ergens in de buurt van het huidige Huis ter Leede. In 1329 komen er een kleine 4 morgen land bij en schuift de noordgrens van Heer Dirks leen op naar de beek bij ‘De Engel’, die dan juist door de strandwal gegraven is,vergelijkbaar met de Dinsdagse-wetering onder Warmond in diezelfde periode.

Nogmaals de voet

Bodemprofiel Sassenhem NO

De enige verklaring van het traject van onze noordgrens zit m.i. verborgen in het feit dat deze grens van oudsher op iets herkenbaars in het landschap geijkt moet zijn geweest.

De huidige Elbalaan is exact de grens tussen zand en veen. Vanaf hier (en wel precies tus­sen huisnrs.42 en 44) moet de voet van de Wendeldijk des­tijds richting de oude moe­rasburcht ’t Althuys gelopen hebben, ’t AIthuys is te identi­ficeren met de plek waar zich tegenwoordig de kaasboerde­rij van Pennings bevindt.

De Wendeldijk liep vanaf deze verhoging in het landschap noordwaarts, oost­waarts om zuidwaarts af te buigen naar wat nu de Julianalaan op De Kaag is, die in het algemeen gezien wordt als een onderdeel van de Wendeldijk. Uiterlijk rond 1281, maar mogelijk eerder moet er een kunstmatige grens ge­trokken zijn tussen Sassenheim en Lisse. In ieder geval komt Lisse in dat jaar als zelfstandig ambacht voor, inclusief een schout. Als volgens de overlevering de Wendeldijk zijn aanvang had in Sassenheim, dan is m.i. onze noordgrens met Lisse de enige kandidaat om het traject van deze grens te rechtvaardigen. Noch in de Bonte Krielpolder noch in de Hellegatspolder zijn zand of puin-banen teruggevonden langs of op het traject van onze noordgrens. Maar als de Wendeldijk van oorsprong inderdaad een restveendijk was, is dit ook niet verwonderlijk. Als er bovendien al een spoor van was, dan blijkt dat in de 16de eeuw reeds verleden tijd geweest te zijn. Tot nader tegenbericht houden wij de Sassenheimse noordgrens voor de voet van de oude Wendeldijk.

De grens tussen Sassenheim en Lisse loopt bijna recht. Grenskaart Sassenheim- Lisse. COLLBN Port 13 N 9 blad 7

 

Bronnen:

De landscheidingen tussen Delfland, Rijnland en Schieland, J.L van der Gouw. Uitgeverij Verloren, Hilversum 1987.

De Nederlandsche Leeuw, 76e jaargang nr. 12, december 1959. De oude Hofstede te Sassenheim en haar bewoners, L. J. van der Klooster. Holland en het water in de Middeleeuwen, diverse auteurs. Uitgeverij Verloren,

Hilversum 1997. Hoogheemraadschap van Rijnland, Mr. S. J. Fockema Andrae. Heruitgave: Drukkerij Canaletto, Alphen aan de Rijn 1982.

Op weg naar Sijtwende, W. de Jonge en de Archeologische werkgroep Voorburg, 2001. Schets van Zuid-Hollandse watersnoden in vroeger tijd, Mr. S.J. Fockema Andrae,

Zuid-Hollandse Studiën III. Drukkerij Die Haghe NV. Voorburg, 1953. Vissen in veenmeren, Petra J.E.M, van Dam. HV.H. uitgeverij Verloren, Hilversum 1998. Waterstaat in stedenland, Het Hoogheemraadschap van Rijnland voor 1857.

Milja van Tielhof, Petra J.E.M, van Dam, Uitgeverij Matrijs, 2006.

Geschiedenis Poelpolder

Arie in ’t Veld beschrijft een artikel van A. Hulkenberg over de ontstaansgeschiedenis van de Poelpolder. Volgens Hulkenberg wordt de Poelpolder al in 948 vermeld. In dat jaar verleent keizer Otto I het recht tot visserij in ‘Getrewat’. Later Geestwater genoemd.

door Arie in’t Veld

Nieuwsblad VOL juli 2010

In een aangeboden oude De Lisse uit 1975 , vonden we dit stukje over Arie in ’t Veld. Inmiddels 35 jaar correspondent van de Lisser. Bij zijn adres werd De Poelpolder vermeld. De bebouwing van de Poelpolder dateert uit de jaren 60, nu zo’n 50 jaar geleden. Dit was aanleiding voor Arie in ’t Veld om nog eens terug te grijpen op de geschriften van de heer A. Hulkenberg.

 

In de Poelpolder zijn huizen gebouwd en er zijn plantsoenen aangelegd. Dat is een vaststaand feit, zoals het ook vaststaat dat heel veel mensen zich in de Poelpolder thuis voelen en dat is iets waaraan nog wel eens werd getwijfeld toen in de zestiger jaren de ontwikkeling van de polder in gang werd gezet. Lissers hoorden in Lisse en niet op de plek van de vuilnisbelt ergens in de middle of nowhere…. Onder die Poelpolderbewoners bevinden zich veel Leidenaars. Of eigenlijk moeten we natuurlijk zeggen ex-Leidenaars. En als die mochten denken dat ze een stuk van hun roots verwijderd zijn, dan mag uit het volgende verhaal dat door de onvolprezen heer wijlen A. Hulkenberg werd geschreven blijken dat dit helemaal niet het geval is. De geschiedenis van de Poelpolder is namelijk altijd een Leidse aangelegenheid geweest.

Grafelijk viswater
De Lisser Poel was namelijk een deel van de Leidse Meer. Tussen de Meer en de Poel lag een eiland, de Roversbroek. Er zat zeer veel vis in de Poel, met name baars en bot, maar het brakke water was natuurlijk niet goed voor de omliggende weilanden en de overstromingen brachten veel schade. De eerste vermelding van de Lisser Poel vindt plaats in 948.
In dit jaar staat keizer Otto I.leenheer van Holland, aan het bisdom Utrecht het recht toe tot de visserij in “Getrewat”. Dit woord is niet duidelijk. Men spreekt later van “Geestwater”, misschien omdat ’t dicht bij de geestgronden lag, misschien omdat het er bij storm zo gevaarlijk kon spoken. Geleidelijk aan hebben de graven van Holland, met name ook Floris V, zich vrijgemaakt van het keizerlijk gezag en ook van het wereldlijk gezag van de bisschop van Utrecht. Zo kwam de Lisser Poel aan de grafelijkheid van Holland. Tot de Franse revolutie toe is de Poel in het bezit van de grafelijkheid gebleven. Het wordt dan “‘s-Gravenwater”. of ook wel “Vroonwater” genoemd. De oud-saksische mannelijke vorm van frouwa (vrouw) is fro (man of heer). Vergelijk het Duitse Fronleichnamfest = Sacramentsdag, het feest van het lichaam van de Heer. De Poel behoort dus toe aan de “heer”, in casu aan de graaf van Holland.

De stad Leiden pacht het viswater
In 1433 verpacht graaf Philips van Bourgondië het viswater van De Poel aan de stad Leiden. Deze kon dit dan weer onderverpachten aan de Leidse vissers en zo kon dat dan voor de stad een goede bron van inkomsten zijn.
Maar ook onbevoegden wisten dat er in de Poel zeer veel vis zat en in 1451 verbiedt graaf Philips nog eens met nadruk het vissen in de Lissese Poel zonder toestemming van de stad Leiden. Tot 1622 toe heeft de stad Leiden van de opbrengst van de visserij genoten. Soms verneemt men, hoe verschillende “legers”, viswaters, zijn verpacht. Bij een leger achter de boerderij van Pieter Claesz, dat twee Leidenaars voor 16 stuivers per jaar gehuurd hebben. Men leest over de “Gerrit Evertspoel”, die gaat aan “’t zuidwest-einde aan de horn van des kloosterkamp” (achter het land van Gebroeders Meskers) “strekkende noordoostwaarts tot de halve Greveling”.
Ook over de “Stienpoel” en de “Luttekepoel” (Kleine Poel), dicht bij de Greveling. Daar staat veel “elst” in de rietbossen, en de noordwesthoek van de Poel, waar veel ruis (riet met planten ertussen) groeit, wordt de Ruishorn genoemd. Een horn is een bocht of uitspringende plek. (Nu weet u dus ook waar de naam Ruishornlaan vandaan komt). Achter Dever is de ‘Heer Reiniershorn’, genoemd naar de Heer Reinier Dever, zoon van Heer Gerard D’Ever, naar wie de ‘Gerrit Everspoel wasz genoemd’. Nog steekt daar een deel van het Deverland in de Poelpolder naar voren. Ten zuiden ervan was de Colijns Horn, genoemd naar Colijn, die daar met zijn moeder, Haasken, woonde. Maar laten wij nu eerst eens naar de Rooversbroek gaan, die ook in het bebouwingsplan van de Poelpolder betrokken is.

De Rooversbroek
Een eigenaardige naam. Rooversbroek. Men leest ook wel eens “Rozenbroek”. Maar waarschijnlijk is het toch wel een moerasland geweest, dat oorspronkelijk aan een zekere “Rover” of “Robert” heeft toebehoord. Toen in 1461 de parochie van Lisse werd afgescheiden van Sassenheim, bleef de Rooversbroek bij Sassenheim. Waarom? Veel mensen zullen er niet hebben gewoond. Misschien wel niemand. Nee, het ging weer om het geld. De Heren van Dever hadden in de kerk van Sassenheim een “vicarie” gesticht. Een “vicaris” moest daar missen lezen tot intentie van de heren van Dever. Tot onderhoud van de vicaris hadden ze landerijen aan de kerk geschonken en een aantal daarvan lag in Rooversbroek.
Omstreeks 1550 had Jonker Nicolaas van Matenesse, heer van Dever, die het goed met Lisse meende, de pastoor van Lisse, Laurens Willemszoon van Wees, tot vicaris aangesteld. Dat bracht 14 gulden per jaar op en dat geld kon de pastoor bijzonder goed gebruiken. Maar dat viel tegen. Tegen het opstuwende water van de meer waren de verwaarloosde dijken van de Rooversbroek niet bestand en telkens waren er overstromingen. Het onderhoud van de dijken kostte de pastoor meer dan de f. 14,- die hij kon ontvangen. Nu wilde hij dat land wel verkopen, maar dat ging niet, want het was kerkenland en dus in “de dode hand” gekomen. Daar moest een kardinaal aan te pas komen en dan de keizer zelf. Karel V, keizer van het Duitse Rijk, koning van Spanje en dan volgen nog lijsten van titels en landen waarover Karel V het bewind voert. Tenslotte nog “koning van de eilanden Indië en de vaste aarde der zeeoceanen” en “Dominateur in Azië en Afrika”, graaf van Holland en als zodanig ook nog heer van de Rooversbroek. Dit alles is voldoende om iedere bewoner van de Rooversbroek voor goed over alle minderwaardigheidscomplexen heen te helpen. Het is allemaal in orde gekomen. Tenslotte maakt jonker Nicolaas zijn zoontje Johan van Matenesse tot erfpachter van de landerijen en garandeert de pastoor een jaarlijkse som van f. 17,- uit te betalen “in de twaalf nachten”, dit is tussen Kerstmis en Driekoningen (6 januari) of op 1 mei f. 17,- Een heel bedrag. Wat zal die pastoor opgelucht zijn geweest.

Plan tot drooglegging
Leiden had drie grote parochiekerken: de Pieterskerk, de Pancras- of Hooglandse kerk en de Lievevrouwekerk. Deze kerken waren in handen gekomen van de protestanten en door verscheidene redenen financieel in goede doen gekomen. Ze zochten nu een goed beleggingsproject. Zulk een project was het droogleggen van de Lisser Poel. De Burgemeesteren en Regeerders der Stad Leiden richtten nu namens de drie kerken tot de Staten van Holland het verzoek aan deze kerken het octrooi te verlenen tot droogmaking van “het Geestwater”. Men moet bedenken dat dit plaatsvond in de tijd van een staatskerk en de samenwerking tussen kerk en burgerlijk gezag niet al te moeilijk hoefde te zijn. Op 23 juli 1622 valt in Den Haag een gunstige beslissing en de zaak kan beginnen.

Drooglegging
Men liet er waarachtig geen gras over groeien. Jan Pietersz Dou, gezworen landmeter van Rijnland, maakt een ontwerp, tekent een kaart. De Ringsloot wordt gegraven, die later om onbekende reden ook Rijnsloot wordt genoemd. In de lengterichting van de polder komt de “Molenwatering”, die uitkomt bij de molen aan de Meer. (Die molen staat er nog, al is hij intussen vernieuwd). Maar sommige schippers blijven maar varen en storen de werkzaamheden. Er komt een ‘Verbodt van Seylagie’, een verbod om te zeilen, dat ook voor de nieuwe Ringsloot geldt. Er wordt hard gewerkt. Het is met de rust van de bejaarde heer van Dever en Lisse, jonker Johan van Matenesse, gedaan. Hij trekt weg naar Utrecht, voorgoed. Er woonde in Leiden een rechtskundige, die ook met de droogmaking zijn bemoeienissen heeft gehad. Het is Mr. Simon van Leeuwen, zeker niet de minste onder zijn ambtsgenoten. Tussen de grootste vaderlandse rechtsgeleerden, wier beeltenis is opgesteld bij de trappen van het gebouw van de Hoge Raad te ‘s-Gravenhage, vinden wij ook het bronzen conterfeitsel van onze Mr. Simon van Leeuwen. Hij was ook familie van Bouwe van Leeuwen, die woonde op de plaats van de Witte Zwaan. (Deze had een “stukke grond aangeplempt” in de Lisser Poel aan de H. Geestarmen gegeven, het “Bouwe’s Bosje”). Mr. Simon van Leeuwen stond toe te zien bij het graven van de Ringsloot en zag hoe daar een achtkantige toren werd uitgegraven. Misschien wel een ouder kasteel Dever, overspoeld door het water. Daar is nooit iets naders over bekend geworden. In 1624 was de drooglegging een feit, het uitgeven van percelen kon een aanvang nemen.

Huizen in de Poel
Veel huizen zijn er in de Poel nooit gebouwd. Tot voor “enige” jaren tenminste! Het bekendste huis is ongetwijfeld Uitermeer. Het stond juist tegenover het uiteinde van de Verlaner Zandsloot ofwel Vennesloot.
Wanneer men via de Eerste Poellaan de polder binnenkomt, onmiddellijk aan de rechterzijde. Het behoorde toe aan Simon van der Stel, eerste gouverneur van Kaap de Goede Hoop. Later is het eigendom van Willem Adriaan van der Stel, gouverneur van de Kaap, overl. 1725. Zijn fraaie grafmonument is te vinden in het koor van de Nederlands Hervormde kerk. Ook verrezen enige boerderijen. Een der oudste, misschien wel de alleroudste, stond recht tegenover de Vliet (Staalsloot) maar deze is reeds lang weer verdwenen. De “boerderij van Langeveld”, (t Lange Rack) dateert van 1642. Dan is er nog de boerderij Poeleway van 1643.
Een aardige boerderij. Aanvankelijk zei men, dat deze gespaard zou worden, doch daarvan kwam niets terecht. Poeleway moest wijken voor de nieuwbouwplannen van Lisse.

Linksonder de boerderij De Poeleway aan de Greveling/Ruishornlaan. Iets verderop rechts zie je nog net een stukje Hohabo en rechts midden de ELKA… en rechtsonder de eerste huizen aan de Broekweg. En veel, heel veel bollenvelden in hartje Lisse. De foto is van begin vijftiger jaren toen de onleidingsweg (Oranjelaan en dergelijke) in aanleg werd genomen. Vanaf linksboven kun je het traject al zien richting Greveling, waar dus de brug (nu viaduct) moest komen.1111111111111111111

Overstromingen
In de Poelpolder is in vroeger jaren veel narigheid geweest. Bij hevige regens en windstil weer stonden vaak delen van de polder onder water, omdat de molen niet kon malen. In 1677 liep de hele Poelpolder onder.
Nu was dat natuurlijk niet zo’n ramp als dat tegenwoordig zou zijn. De boerderijen lagen hoger, bovendien was de inrichting zeer sober. Voor het grasland kon een overstroming zelfs wel eens goed zijn, vooral in een tijd dat er nog geen kunstmest bestond. Maar het brakke water zal het gras geen goed hebben gedaan. En dan het herstel van de dijken! In 1766 is er weer een gehele overstroming. De ingelanden, met name de kerken van Leiden, vragen 25 jaar vrijdom van belastingen. Dat vindt men in Den Haag nu wel erg veel. Tenslotte krijgen zij 15 jaar, maar ze zullen intussen de dijk behoorlijk moeten versterken. Dat zal wel gebeurd zijn, want het duurt enige tijd voordat men weer over dijkdoorbraken hoort. Kerstmis 1838, grote dijkdoorbraak en overstroming. Op 24 en 25 december stroomde de zaak weer onder. Piet Verdegaal slooft zich uit aan de dijk, maar het helpt niet. Er wonen niet veel mensen in de Poel en de brave Lissers vinden dat die het maar alleen moeten opknappen. De dijk gaat weer dicht, maar telkens moet Verdegaal bij nacht en ontij zijn bed uit en aan de dijk staaan. “Ik zit hier best naar mijn zin”, zegt Verdegaal, die van geboorte uit Vogelenzang komt, “maar als ze de Haarlemermeer niet droogmaken, dan ga ik weg”. Nu, Verdegaal kon blijven; in de vijftiger jaren van de 19e eeuw ging de Haarlemermeer droog. Het door de wind opgezweepte water van de Meer kon nu de Roversbroek en de Poelpolder niet meer bedreigen.
Er kwam rust voor de Poelpolder. Rust voor de mensen, voor het vee, rust voor de vogels, voor de hazen. Behalve natuurlijk als Verdegaal, Langeveld of de onvergetelijke Jaap Riggel met hun jachtgeweer over de weilanden stapten. Dan knalde het! Maar verder rust. Een paradijs.

Van Poelpolder tot Poelpolderplan
Nu ja, een paradijs. De wegen en dijken waren wel schilderachtig maar slecht begaanbaar. De percelen waren soms moeilijk te bereiken en elektriciteit en dergelijke modernismen trof men nog nauwelijks aan…. Het was heerlijk naar de kieviten te kijken, de grutto’s en tureluurs te zien op de houten landhekken, de karakieten te horen in het riet of om de kemphanen gade te slaan. Maar om er te wonen…. En toch wilden de meeste bewoners hun polder voor geen ander land ruilen. De ontsluiting, tevens ontluistering, begon toen de Rooversbroekdijk werd geslecht en door nieuwe wegen de polder beter begaanbaar werd gemaakt. Natuurlijk, het moest, maar jammer was het toch ook wel. Toen kwam de naar uitbreiding hakende gemeente op de gedachte, de Poelpolder te bebouwen. Een nieuwe toekomst voor vele Lissers. En natuurlijk kwamen ook Leidenaars weer vissen. Zij waren welkom, al is de vrijdom van belasting natuurlijk reeds lang verstreken.

Kaart van debedijkte Poelpolder door J. Dou in 1624

De foto de Grote Poelpoldermolen is genomen van de overkant van de Ringvaart van

Copyright © Vereniging Oud Lisse

HALFWEG DE TREKVAART VAN LEIDEN NAAR HAARLEM

Aad van Kampen heeft een artikel geschreven over de historie en plaats van de Halfscheidpaal, de grenspaal van Halfweg.  Tot op de dag van vandaag markeert een eeuwenoude, in de berm van de Leidsevaart, de trekvaart, stenen paal het punt halfweg tussen Leiden en Haarlem

door Aad van Kampen

Geo-Info, meinummer 2010

Stenen paal uit 1820 markeert ‘halfscheid’

. Toen de trekschuit nog voer, stond hier een herberg waar ook de paarden werden gewisseld. De pleisterplaats was eigendom van de gemeente Haarlem. Eerst kortgeleden is dit stukje grond teruggegeven aan Lisse

De 29 kilometer lange trekvaart tussen Leiden en Haarlem werd in 1657 in een recordtijd gegraven. Al in 1640 had een aantal Leidse textielhandelaren een verzoek ingediend voor een directe verbinding over water met Haarlem. Tot 1656 kon de aanvraag worden tegengehouden, bang als de concurrentie was voor andere vormen van vervoer. Maar de trekvaart was vooral bedoeld voor passagiersvervoer.
Waarom was de trekschuit zo’n populair vervoermiddel? Dat had te maken met het comfort van deze vorm van vervoer. De schuit – een lange, smalle boot met kajuit waarin zo’n vijfendertig passagiers konden worden vervoerd – had een constante snelheid van 7 kilometer per uur. De zitplaatsen waren voorzien van kussens en een ijzeren pot met brandende turf zorgde voor wat warmte. Vrouwen konden hun stoofjes gebruiken en de mannen konden een pijpje opsteken. Gespuugd werd er in een gezamenlijk potje of kwispedoor, dat op een gemeenschappelijke tafel stond.

Dampige reizen

Er werd overigens stevig gerookt tijdens de reis, dus het moet een dampige atmosfeer zijn geweest in het ruim. Ter ventilatie zaten er vier raampjes in de roef, bij regen en wind afgedekt met zeildoek. De reis nam overdag zeven en ’s nachts negen uur in beslag en kostte, omstreeks 1750, zeventien stuivers. Doordat bij iedere boerderij, bij elk dorp en iedere buitenplaats werd gestopt om passagiers in en uit te laten stappen of om goederen uit of in te laden, was deze vorm van vervoer niet altijd even efficiënt. Diligences en postkoetsen waren echter duurder en gingen minder frequent. En er waren ook nog weinig verharde wegen. Dat werd pas beter na 1806 tijdens de Franse bezetting, toen Lodewijk, de broer van Napoleon, tot koning van Holland werd benoemd. Iedereen lachte om zijn gevleugede woorden: ‘Iek ben Konijn van Olland.’
Halverwege lange trajecten werd even halt gehouden. De passagiers konden dan de stramme ledematen strekken, het gemak (toilet) bezoeken of een hapje eten. Dat deden ze op de route Haarlem-Leiden in Halfweg, een huisje dat vlak aan de vaart lag. Het is helaas is afgebroken.
Iedere trekschuit had drie man personeel: een schipper, een knecht en een jagertje. Dit jagertje, een jong ventje, mende het trekpaard dat over het smalle jaagpad liep en de boot voort trok. Alleen wanneer de boot een brug naderde werd het paard losgekoppeld. De schipper boomde dan de schuit door de openstaande brug, waarna het paard aan de andere kant weer werd ingespannen.

Weilanden en duinen

Omstreeks 1750 ging de trekschuit om de twee uur. Om half zeven ’s avonds vertrok de laatste boot. De reis was niet zo boeiend. Volgens de Engelse toerist avant la lettre Robert Cooper stonden er bijna geen buitenhuizen langs het traject, hooguit wat kalkovens. Daarna hoofdzakelijk lage weilanden met op de achtergrond de duinen. In de buurt van Haarlem werd het terrein weer wat hoger, maar door de rijen knotwilgen, elzen en beuken had je vanaf de trekvaart nauwelijks uitzicht.
Door verharding van de doorgaande wegen, de betere diligences, maar vooral door de komst van de spoorlijn in 1842 werd de trekschuitdienst steeds minder rendabel. Dat leidde in 1860 tot het opheffen ervan. In het topjaar 1677 werden 148.397 personen vervoerd. In 1811 waren het er 32.520 en in 1844 maakten slechts 5.128 personen gebruik van de trekschuit.

Jubileum in 2007

Volgend jaar bestaat de Trekvaart 350 jaar. Het Cultuur Historisch Genootschap Duin- en Bollenstreek werkt aan een boek en een expositie. Ook Uw vereniging wil samen met Museum de Zwarte Tulp een tentoonstelling inrichten. Er bestaan ook plannen om een oude trekschuit opnieuw te laten varen tussen Haarlem en Leiden.

 

Halfweg nieuwe buurtschap in Lisse

Buurtschap Halfweg staat nu op de kaart met de 5 geplaatste plaatsnaamborden. De onthulling door de burgemeester vond plaats na een lezing van Brigitte Brink over de historie van Halfweg.

Nieuwsflitsen

Nieuwsblad Jaargang 6 nummer 4, oktober 2007

Een deel van Lisse, bij de Leidsevaart, heet binnenkort buurtschap Halfweg. Om dit te onderstrepen worden er op vijf plaatsen borden met deze benaming geplaatst. De feestelijke onthulling hiervan door enkele bewoners van Halfweg is op zaterdag 29 september 2007.

Het college ontving begin dit jaar verzoeken om een deel van de Leidsevaart de naam Halfweg te geven. Die waren afkomstig van de Vereniging Oud Lisse, de Stichting Cultuur Historisch Genootschap Duin- en Bollenstreek en van de heer Aad van Kampen, oud-bewoner van Halfweg. Dit in het kader van het 350-jarig bestaan van de Trekvaart. Het college besloot deze verzoeken te honoreren.

Halfweg
Het gebied bestrijkt in noordwestelijke richting het allerlaatste stukje Stationsweg tot de Delfweg ter hoogte van het Houtvesterslaantje. Op de Leidsevaart begint Halfweg bij de gemeentegrens met Noordwijkerhout en loopt het tot de gemeente- grens met Hillegom. Het fietspad richting Noordwijkerhout hoort bij Halfweg tot het Houtvesterslaantje.

Geschiedenis
Dit jaar is het 350 jaar geleden dat de Trekvaart tussen Haarlem en Leiden werd gegraven. Op 25 april 1656 hebben de heren Andries van der Walle en Joris Gerstecoren, landmeters van de steden Leiden en Haarlem, “op de hoeck van de cromme Vaert, bewesten Lisse, een hondt ende vijftigh roeden besuijden de Delft als halfscheid een elsenpael in de gront gestooken, dienende als baecken ende hoe dat in de jaere 1658 het gemeene landthuijs is gestelt halffwegen de beijde steden aen de Delftwegh”. Dat was het prille begin van de Trekvaart en van de buurtschap Halfweg. Op 1 november 1657 kwam hier de eerste trekschuit langs.

De onthulling van het naambord HALFWEG

Voor meer foto’s zie: picasaweb.google.nl/lecbru

Copyright © 2007 Vereniging Oud Lisse

Herdenking 350 jaar Trekvaart met historie Huize Halfweg (2)

In deel 2 wordt de brand van het commissarishuis (huize Halfweg) in 1696 en de herbouw besproken.

door Drs. Brigitte Rink

Nieuwsblad Jaargang 6 nummer 4, oktober 2007

Huize Halfweg herbouwd na brand in 1696

In september 1696 brak er brand uit in het Commissarissenhuis. Het brandde tot de grond toe af. Snel werd er besloten dat het gebouw hersteld toch zou worden op de oude fundamenten.. De kosten bedroegen ca. 12.000 gulden. Jacob Roman kreeg als stadsarchitect de opdracht om een nieuw ontwerp te maken. Het is dus zeer waarschijnlijk dat de volgende tekeningen van zijn hand zijn. Er zijn twee series niet gedateerde tekeningen; met negen en acht tekeningen.

De eerste serie met acht tekeningen laten een ontwerp zien met een koepeltorentje. Erboven is een flapje geplakt waarop een eenvoudiger puntdak is ontworpen. Hiervan zijn een vijftal afgebeeld.

 

Voor met torentje

Voor zonder torentje

 

 

 

 

 

 

 

Het huis heeft twee verdiepingen en een hoog dak. De sterk naar voren springende middenrisaliet heeft brede raamindelingen naast de deur. In de versiering zijn de wapens van Leiden en Haarlem te herkennen.

Zijaanzicht rechts

achterzijde zonder dak

 

 

Plattegrond met losstaand stalgebouw

 

Het stalgebouw is achter een binnenplein geprojecteerd en staat nu los van het huis. Het binnenplein wordt afgesloten met twee deuren.

De tweede serie bestaat uit 9 tekeningen waarvan er hier vier zijn getoond. Het huis bestaat uit een kelderverdieping, een iets verhoogde begane grond en een zolderverdieping met een groot zadeldak. Het middendeel is bedekt met een fronton waarin een klok is geprojecteerd. Het stalgebouw is voorzien van ronde luchtgaten.

De plattegrond van dit gebouw kwam overeen met de plattegrond op de kadastrale Minuutkaart van 1818 . Uit geen enkele tekening van het huis was echter gebleken hoe de verbouwing van 1695 er uit had kunnen zien.

 

Ontwerp in kleuren voor Huize Halfweg aan de Trekvaart te Lisse Ref.Archief Leiden PV78051

Deze gekleurde tekening waarop twee ontwerpen voor het huis zijn afgebeeld, was wel bekend. Het bleef echter gissen welk ontwerp nu echt was gebouwd. Nu kon dit raadsel opgelost worden.

De derde serie tekeningen bracht namelijk de uitkomst. De ontwerpen zijn eenvoudiger en waarschijnlijk van de hand van de stadstimmerman Leendert de Windt. Het verschil van de bovenste gekleurde tekening en de ongekleurde tekening zit in de plaatsing van de wapenstenen tegen de daklijst aan. En de blindnissen boven de deurpartij in plaats van de guirlandes. Daardoor paste de gekleurde tekening van de achterzijde van het stalgebouw ook bij dit complex.

Voorzijde

Zijaanzicht met losstaand Stalgebouw

 

Plattegronden Halfweg

 

 

Wapenstenen van Leiden en Haarlem uit huize Halfweg

Wapensteen van Haarlem

Wapensteen van Leiden

 

De wapenstenen, gemaakt door de beroemde beeldhouwer Rombout Verhulst, werden na de brand hersteld en aan de achterzijde vlak gemaakt zodat ze dan beter pasten in de muur.

De steen met het wapen van Leiden was merkwaardigerwijze aan de noordkant ingemetseld, en de steen van Haarlem zat in de zuidelijke kant van huize Halfweg. Zie de boven afgedrukte ontwerptekening PV78051.
Daarachter lagen de vergaderkamers van de respectievelijke steden. De grote steen met het wapen van Leiden, rechts, is thans ingemetseld in de muur van de tuin van Keukenhof. Die van Haarlem bevindt zich sinds 1882 in de toegangspoort van het voormalige Magdalenaklooster, Kinderhuisvest 17 te Haarlem. Zie bovenstaande foto’s.

Er is een inventaris gevonden waarin beschreven staat hoe die commissarissenkamers ingericht waren. De kamer van Haarlem was voorzien van een spiegel met een vergulde lijst, goudleer behangsel dat in 1698 door Willem Eyckelenburgh geleverd was voor f. 609.4.0. en een stuk schilderij voor de schoorsteen. In de kamer van de stad Leiden stond hetzelfde en in de kamer boven de keuken hing nog een schilderij waarop een weverij is afgebeeld , waarschijnlijk door de Goudse schilder Christoffel Pierson.

In het archief van Lisse bevindt zich een pentekening van het huis. Nu was het mogelijk de plannen die ooit ingediend waren als ontwerp voor het nieuwe Commissarissenhuis te verbinden met wat er werkelijk was gebouwd. De tekening is gemaakt door J.van der Kloot in 1772. Het huis dat als bovenste tekening van Leendert van der Windt is afgebeeld is blijkbaar gebouwd. Veel is er niet veranderd vergeleken met het oorspronkelijke gebouw van Willem van der Helm. Alleen de stallen vormen geen geheel meer met het huis.

De scène vooraan laat een deel van een trekschuit zien, en op de kant is het jagertje bezig een nieuw paard naar de schuit te leiden. Er wordt wat gepraat, en er plast iemand tegen de boom. De tekening komt aardig overeen met de plattegronden en de andere ontwerpen die we hiervoor gezien hebben.

Huize Halfweg pentekening door J.van der Kloot uit 1772 (Gem.Archief Lisse)

 

De tekening toont echter niet de wapenstenen. Dat bleek te ingewikkeld en bomen ervoor zijn een handige tekentruc om dat te verdoezelen. We zien van de voorzijde dat de deur in het midden is gesitueerd en dat ernaast aan elke kant een halfbreed venster is. Dan ernaast aan beide kanten twee kruisvensters. Ook de zijkant is in beeld gebracht. Daar zaten ook kruisvensters in. Het muurgedeelte met daarin de poort naar de binnenplaats en daarachter de stal. Met één venster, een deur en weer een venster. Daarachter de hooiberg. Aan het einde is een fraai hek te zien. Aan de rechterkant is een omheind stuk waar een kar voor staat, en een koetsje voor de schuur.
Hier is echter geen tolhek te zien. Ook de brug is niet afgebeeld, en dat is toch jammer, want nu is niet goed te plaatsen hoever het huis van de weg af stond.

Met de aanleg van de spoorweg Haarlem-Leiden in 1842 was de tijd van de trekschuiten voorbij. In 1860 werd het huis Halfweg van de hand gedaan , waarna het in 1867 gesloopt.

Copyright © 2008 Vereniging Oud Lisse

Herdenking 350 jaar Trekvaart met historie Huize Halfweg (1)

In een uitgebreid artikel wordt het begin van de Trekvaart beschreven. Daarna wordt de geschiedenis van het Huys Halfwegen beschreven.

door Drs. Brigitte Rink

INHOUD Jaargang 6 nummer 3, juli 2007

IS DIT HUIZE HALFWEG TE LISSE OF ‘T SCHOUWTJE TE AERDENHOUT?

“Half-way House between Leijden & Haerlem”

Deze prent is afgedrukt in het boek “A pittoresque tour through Holland and part of France made in the autumn of 1789″. Het boek werd geschreven door de Engelsman Samuel Ireland en is in 1790 uitgegeven en kwam in 1796 in 2e druk uit. Bovenstaande prent van de trekvaart met een brug en een groot huis is hierin opgenomen. De tekst onder deze prent ‘Half-way House between Leijden & Haerlem’ heeft jarenlang voor de nodige verwarring en dwaling gezorgd. A.M. Hulkenberg vermeldt in zijn boek ” ’t Roemwaard Lisse” al dat het met de afgebeelde prent eigenaardig is gesteld, omdat het huis helemaal niet lijkt op de gemaakte ontwerptekening ten behoeve van de herbouw van het afgebrande huis in 1695 (zie ons Nieuwsblad okt.2007). Ook is de herberg rechts van het huis niet ingetekend en het pad aan deze zijde van de vaart roept ook vraagtekens op. Toch gaat hij er van uit dat de prent het huis Halfweg onder Lisse voorstelt.

Er wordt aan deze aanname van Hulkenberg nu echter getwijfeld door Dhr. Aad van Kampen, amateur historicus. Is dit wel het huis te Halfweg? In de 2e druk van Samuel Irelands boek staat namelijk op blz 106 aangegeven: ‘About two miles from Haarlem the annexed sketch was made, to which the road and canal run parallel and increase in verdure and woody scenery’. Vroeger behoorde dit tot Heemstede. Van Kampen maakt aannemelijk dat dit waarschijnlijk een afbeelding is van de Herberg ’t Schouwtje die nu nog steeds bestaat. Waarvan acte!
Zie ook: www.trekvaarthaarlem-leiden.nl

 

Schilderij van het Tolhuis bij Heemstede, van Jan van Kessel, (particulier bezit in bruikleen bij gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude)

 

VERWARRING OVER HET SCHILDERIJ ‘HET TOLHEK IN HALFWEG’ VAN JAN VAN KESSEL (1656) OPGELOST

 

In 1991 werd voor de toenmalige burgermeester IJsselmuiden van Haarlemmerliede het bovenstaande schilderij Halfweg van Jan van Kessel uit ca 1675 gekocht op een kunstbeurs in Maastricht en in de raadszaal te Haarlemmerliede opgehangen. Van meet af aan was er onduidelijkheid of op dit schilderij wel het tolhek van Halfweg tussen Haarlem en Amsterdam was afgebeeld.
De burgemeester vond echter een bevriende sponsor die bereid was het te betalen en in bruikleen af te staan zodat het schilderij toch in het raadhuis van Haarlemmerliede kon worden opgehangen.
Conservator Biesboer van het Frans Hals museum kwam tot de conclusie dat op het schilderij Halfweg tussen Haarlem en Leiden afgebeeld was, op grond van de op het tolhek aangebrachte wapens van Leiden en Haarlem. Na grondig onderzoek door Dhr. Aad van Kampen in 2006 en ook gezien de afbeelding van de St.Bavo kerk op het schilderij werd terecht door hem geconcludeerd dat het schilderij het tolhek bij Heemstede moest voorstellen. Zie: www.trekvaarthaarlem-leiden.nl

HET VEERHUIS EERDER GENAAMD HERBERG ‘DE BONTE HENGST’ TE HALFWEG, BIJ LISSE

Het Veerhuis wat rechts van de Delfweg aan de Leidsevaart lag, is beschreven door de heer Hulkenberg. Hulkenberg schrijft in zijn boek ” ’t Roemwaard Lisse ” uit 1971 (in 1969 werd het Veerhuis gesloopt) dat er zich omstreeks 1730 ten noorden van de Delfweg reeds een herberg bevond. De naam van deze herberg was toen “De Bonte Hengst”, waarin de schuitepaarden gestald werden die het veer (dus de trekschuiten) van Haarlem op Leiden bedienden. Aan de noordzijde stond tegen de herberg aangebouwd de stal.
In 1741 werd een aanvraag ingediend bij de Burgemeesteren en Regeerders (B. en R.) van de twee steden (Haarlem en Leiden) door hospes Jacobus de Graaff van de Bonte Hengst om op Halfwegen huurpaarden te stallen, voor het traject Halfweg – Haarlem en vice versa. De bestuurders van de steden willen dit alleen inwilligen voor een proefperiode van 5 jaar, ingaande de eerste oktober 1741.
De volgende condities waren eraan verbonden:
De schippers moeten de stalhuur blijven betalen aan de resp. gemeenten.. De benodigde (wei)landen (voor de paarden) kunnen gehuurd worden maar zullen goed onderhouden moeten worden.
Er mag geen schade gedaan worden aan de commissaris op Halfweg wegens het missen van het kostgeld van een stalknecht.
Het veer moet op deselve wijze worden bediend als daarvoor; mocht dit ontbreken dan moeten de schippers weer zorgen voor de eigen paardenstalling zodat het Veer op de oude wijze kan worden bevaren.
Ten alle tijden kunnen de heren B. en R.. de toestemming intrekken.
Overeenkomst is bekrachtigd door D.Guldewaagen, Comm. Van Haarlem en de schippers Cornelis Stellingwerff, Christiaan Yyse G (H) underman, Gerrit Scheerke, Jan Vijgh en Lambert van de Wolff. Hierna werd de concessie voor nog eens 5 jaar verleend. Jacobus de Graaf was hospes van de Bonte Hengst tot 1791

Café Spoorzigt (voorheen het Veerhuis) te Halfweg van ±1920 tot ±1969

In 1840 kocht jonkheer Steengracht uit de boedel van Geertruy van Beek, die tapperij en landbouw daar uitoefende, de losplaats aan de trekvaart, naast de brug voor f. 260.- De vier schippers van het Volksschuitenveer verkochten het huis van de Leidse schippers aan de overkant van het Veerhuis, toen er een eind was gekomen aan de veerdiensten, aan de Keukenhof. Dat huis was toen nog vrij nieuw, maar de schippers verklaarden dat de percelen sinds onheuglijke tijden eigendom waren van de schippers.
In 1909 werd de naam van het café door de toenmalige eigenaar Jan Kaptein omgedoopt in de naam ‘Spoorzicht’ vanwege de aanleg in 1842 van de pal er tegenovergelegen spoorbaan.

Maar wat is de geschiedenis van de Herberg?

Het lijkt onwaarschijnlijk dat dit grote huis omstreeks 1656 is gebouwd. Geen enkele herberg die gebouwd werd bij de aanleg van de Trekvaart was zo groot. Veel gezinnen vonden er onderdak.

Er moet dus tussentijds een vergroting hebben plaats gevonden. Maar wanneer? In 1969 werd het gebouw afgebroken wegens grote bouwvalligheid. Aan een eeuwenoude herberg kwam een roemloos einde.

De familie Kaptein woonde in het café Spoorzicht.
Naast het uitbaten van het café, werkte de heer Kaptein ook als vrachtrijder tijdens de Eerste Wereldoorlog. Het ging toen slecht in de bollenteelt en veel kwekers stapten over op groenteteelt. Daarom werd in Lisse de tuindersvereniging ‘De Eendracht’ opgericht. Daaraan gekoppeld kwam er ook een groenteveiling naast het café van de familie Kaptein op Halfweg. Zowel de Trekvaart als de spoorwegen hadden daar halteplaatsen. Daarvandaan kon groente onder andere geëxporteerd worden naar België en Duitsland.
Later ging deze groenteveiling samen met de veiling bij de Piet Gijzenbrug. Daar was een station en de trein vervoerde de aardappelen en groente sneller en goedkoper.

Detail kaart ca. 1850

 

Op deze kaart is naast de grens- of scheydtpaal ook het Veerhuis rechts van de Delfweg al aangegeven. De kaart is van 1850 want de spoorlijn staat er immers al op.

Huidige situatie Halfweg

 

Copyright © 2008 Vereniging Oud Lisse

Herdenking 350 jaar Trekvaart met historie Huize Halfweg

In een uitgebreid artikel wordt het begin van de Trekvaart beschreven. Daarna wordt de geschiedenis van het Huys Halfwegen beschreven.

door Drs. Brigitte Rink

Nieuwsblad Jaargang 6 nummer 3, juli 2007

Inleiding
Het vrachtvervoer door Holland ging bijna altijd over het water. De Romeinen gebruikten al de grote rivieren de Rijn en de Maas als de gemakkelijkste waterwegen om goederen over te vervoeren. Goederen zoals tufsteen uit het Eiffelgebergte dat voor kerkenbouw werd gebruikt, wol uit Engeland voor de lakenindustrie van Leiden en Haarlem en hout en graan uit de Scandinavische landen, en wijn uit Frankrijk en Duitsland. In het binnenland ging bier, baksteen en nog veel meerover het water. Al deze goederen worden per zeilschip vervoerd, soms over zee, dat heette dan de soute vaert, maar meestal over de rivieren. Als er gevaren werd, dan konden ook passagiers meegenomen worden. Vaak waren het gevaarlijke tochten, vooral als er over zee gevaren moest worden. Over de rivieren en het IJselmeer werd de soete of gecostumeerde vaart genoemd. Altijd bleef men afhankelijk van de wind.

Over de zandwegen gingen karren en koetsen. Na de tachtigjarige oorlog die eindigde in 1648 met de Vrede van Munster, of zoals het ook wel is genoemd de Vrede van Westfalen, werd het veiliger om te reizen. Het voert hier te ver om alle waterwegen met de daarin gelegen tollen en dammen te bespreken, maar een belangrijke stad als Gouda, was voor zijn welvaart afhankelijk van de tol die geheven werd bij de Donkere sluis, die midden in de stad lag. Dat was onder andere de reden dat deze stad zich erg verzette toen de handelaren van de steden Haarlem en Leiden, een aanvraag indienden bij de Generale Staten om een Trekvaart te mogen graven. Het was ook represaille omdat Leiden en Haarlem erg gekant waren tegen de aanleg van een trekvaart naar Amsterdam. Toen de vroedschap van Gouda echter zelf nogmaals vroeg om een octrooi voor de trekvaart naar Amsterdam, zagen Haarlem en Leiden hun kans schoon om hun eigen aanvraag door te drukken.
In 1656 werd toestemming verkregen en onmiddellijk gingen twee landmeters, te weten Joris Gerstekoren van Leiden en Andries van der Walle van Haarlem een traject uitzetten. Het hele traject besloeg zo’n kleine 30 kilometer. Er zijn 41 tekeningen van het traject gemaakt.
Een aantal voorbeelden van deze kaarten die door hen zijn getekend komen hier aan bod.

Begin van de Trekvaart
De landmeters hadden het hele traject in kaart gebracht en het bleek dat vlak bij de Delffweg, het midden lag van het uitgezette tracée voor de trekvaart.
“Op dinsdag, 25 april 1656 werd door de Heren Andries van der Walle en Joris Gerstecoren, gezworen landmeters van de steden Leiden en Haarlem op de hoek van de ‘cromme vaart’ ten westen van Lisse omtrent één hondt en vijftig roeden ten zuiden van de Delfweg, een paal van elzenhout in de grond gestoken”.
Als eerste baken in het landschap ging deze paal het ‘Halfscheyd’ markeren van de te maken ‘Treck-vaert’ en ‘Treck-wech’ tussen de steden Leiden ende Haarlem.

Op 27 september 1656 werd de eerste spade geslagen voor het graven van de doorgang door strandwal bij Vogelenzang/Bennebroek. Dit was een zware graafklus!!
De officiële aanbesteding vond plaats op 27 februari 1657, waarna het echte werk begon. Het trace van 28,4 km werd verdeeld in 49 stukken van ca 70 tot 200 Rijnlandse roeden of “parcken” ( 1 roede is 3,78 meter), waarop aannemers konden intekenen. 1150 arbeiders hebben in zeven maanden het werk geklaard. Zij kwamen v.n.l. uit West Brabant en Zeeland en verdienden 1 gulden/dag! ! De totale aanlegkosten bedroegen ca 423000 gulden (=200000 Euro). De vaart was 18,5 meter breed en 2,4 meter diep.
Op 1 november 1657 voer al de eerste schuit door de vaart!
Een “onmooglijk wonder” zei men in die tijd!!
Vlak bij bet Halfscheidt moest een brug worden gemaakt voor de Delfweg. Er werd grond gekocht, waarop een Commissarissenhuis werd gebouwd. Het werd Halfwegen genoemd, of zoals het nu heet Halfweg.

* Besteding van ’t graven ende maken van een trekvaart Tussen de steden HAARLEM EN LEIDEN
Op de 27ste februari anno 1657. Nieuwe Stijl/zijnde dinsdag.
(Reg.Archief Leiden PV37550.1)

HALFWEG(EN)
Het midden van de afstand Haarlem Leiden was belangrijk om de inkomsten uit de vaar- en tolgelden te kunnen verdelen. Op de kaarten die de landmeters daarna van het hele traject tekenden kwam als markering een zonneroos en hun handtekeningen.

Kaart t.b.v. aanleg Trekvaart bij Halfweg van Joris Gerstecoren en Advies van de Walle (1656) (Reg.Archief Leiden PV 32553.21)

Huidige Hardstenen paal bij Halfweg met wapens van Haarlem en Leiden (zie foto hiernaast) die de elzenhouten paal ter “Halfscheydt” verving

HET HUYS TE HALFWEG(EN)
De elzenhouten paal is later vervangen door een van hardsteen waarop de wapens van de twee steden is uitgehakt, zoals boven te zien is.

* Kaart van K.Dou, van 1678, herzien in 1746, met Sixenburg naast Halfweg en de paal (Reg.Archief Leiden PV 70295)

Het huis Halfweg ziet u hier staan, naast de buitenplaats Sixenburg van Pieter Six, burgemeester van Amsterdam, die de eerste was die in zijn gebied de duinen liet afgraven om het zand te kunnen verkopen voor de uitleg van de steden Amsterdam, Haarlem en Leiden.

De kosten voor de gronden voor Halfweg bedroeg f. 1070,00, de bouw van het huis en de stallen aan de Delffweg bedroeg f. 7.260, de kosten voor het bouwen van de tolhuizen in Warmond en Heemstede was tezamen f. 5445. – en de aanbesteding van 8 trekschuiten bedroeg f. 48.864. Leiden had 8 schuiten en Haarlem aanvankelijk 6, waar later nog twee bijkwamen.
In een van de eerste verordeningen stond dat de “Schippers mogen niet aanleggen zonder dat iemand betaald heeft, zelfs niet aan de Delfweg, waar van paard wordt gewisseld, “maer sullen de Jongens op de Paerden rydende, gekomen zijn tot op vijftich roeden nae aen de Deffwech/ gehouden syn te blasen op een hoorn/ ten eynde een versch paerd uyt de stalle op de Treckweg ghebracht ende aende lyn daer de schuyt mede getrocken werdt /by den Commissaris op de Delff-wech vast gemaeckt mach werden /sonder dat de schippers aldaer eenighe persoonen sullen vermoghen aen landt te setten /die sy naederhandt wederom inne nemen /maer sullen de voornoemde Schippers gehouden syn sonder vertoeven voort te varen” (op straffe van een boete en, bij recidive, schorsing uit hun ambt).

Voor het huis was eerst een ontwerp gemaakt door de Haarlemse stadarchitect Salomon de Bray. Er waren al twee houten modellen gemaakt, maar zijn ontwerp stuitte echter in Leiden op verzet: ze vonden het daar veel te groot en te imposant. De kosten zouden wel navenant kunnen zijn.
Leiden stelde voor dat hun stadstimmerman, de architect Willem van der Helm een ontwerp zou maken. Het ontwerp ziet u hier.

* Opstand en plattegrond, getekend door Willem van de Helm 1657 (Reg.Archief Leiden PV 78054)

Het is een eenvoudig huis met een vrijwel vierkante plattegrond.
Breed 60 voet = ca. 18.85 m., de hoogte van de pui is 15 voet = ca. 5.65 m. en met het dak mee is het 30 voet = ca. 11.50 m. hoog. De diepte is ca. 58 voet = ca. 18.10 m. Een flink gebouw dus.
De stal is aan het huis gebouwd onder een dak. Het huis had 4 zadeldaken.
In het midden was een binnenplaatsje.
Bij het beschrijven van de plattegrond, kwam naar voren dat de twee kamers links bewoond werden door de commissaris die moest zorgen voor de paarden, voor het tolgeld en voor de “Sael van de heeren” zoals in de rechter ruimte staat geschreven. Achter de entree is het voorhuis, waarachter een open ruimte is, waar de deur van de trap zich bevindt, evenals de deur naar de stallen, de deur naar een pleetje, en de toegang naar de “sael” en een hardstenen wasbak met twee pompen. De trap heeft een bordes, en er lijken twee ramen in de muur van de achterkamer te zitten om licht in het trapgedeelte te krijgen. In de “sael”zijn twee deuren, één naar het voorhuis en één in naar de “lantaem”. In de achterkamer van de beheerder is het bed al aangegeven. De aangegeven trap naar beneden laat zien, dat er ook een soort kelder was onder de linkerachterkamer, en waarschijnlijk ook onder de “sael” De stal bood ruimte aan 24 paarden.

Het huis kon in 1658 bewoond gaan worden.. Twee hardstenen “fruytposten”, die vermoedelijk in de schoorstenen waren verwerkt en een ovaal dat in het fronton zat, en licht in het zoldergedeelte gaf, waren de enige versieringen aan het huis. De kosten ervoor bedroeg de som van f. 13-15-0.
Bij nader inzien wilden de bestuurders toch wat duidelijker aangegeven hebben dat het hier ging om een prestigieus bedrijfspand, en dat er wapenstenen van de beide steden nodig waren om dat te benadrukken.
Rombout Verhulst, de beroemde Vlaamse steenhouwer had op dat moment zijn werkplaats in Leiden. Hem werd gevraagd twee wapenstenen te houwen uit Bentheimer zandsteen. De rekening ervoor is bewaard gebleven, en dateert van 1660.
Rombout Verhulst diende een rekening in van 400 gulden, maar de uitbetaling werd aangehouden omdat daar nog over vergaderd moest worden om te zien of hij er wel alleen aan had gewerkt. Dat bleek niet het geval, er hadden ook stadssteenhouwers aan gewerkt, en die werden al door de stad betaald, dus hun loon dat werd van de rekening afgetrokken.
De betaling kwam op 315 guldens. De wapenstenen zijn dus later in het gebouw aangebracht, evenals een nieuwe vulling voor het frontispice.
Er is een vermoedelijk eenzelfde donkere baksteensoort gebruikt als voor de poortgebouwen van Leiden. Daardoor werd er later over het huis gezegd dat het een verbazend ruim maar akelig gebouw was, en de ligging koud, eenzaam en woest.

Copyright © 2007 Vereniging Oud Lisse