Berichten

Heereweg 214-218 – Rij winkelpanden met bovenwoningen

Opvallend is de art-deco entree van nr. 116.

Kadaster: C-4533, C-2899 en C-4587. Bouwjaar: 1930. Architect: C.W. Barnhoorn en Th. van der Eerden.

Oorspronkelijk waren deze huizen symmetrisch.

 

Heereweg 228 en 230 – Dubbel winkelpand met bovenwoningen

In het linkerdeel was kruidenier Albert Hein gevestigd.

Kadaster: C-2668 en C-2667. Bouwjaar: 1930. Architect: J. Francken.

Links was de Albert Hein winkel

Heereweg 240b – Winkel met bovenwoning

Pand in fasen vernieuwd. De winkelpui uit 1935 is zeldzaam.

Kadaster: C-2890. Bouwjaar: 17e eeuw (casco en zijgevel), rest 1880.

Winkel van De Bruin

Kanaalstraat 33 – vroegere winkel ‘Magazijn de Zon

De vroegere winkel van Tissing met opvallende hoek-entree.

Kadaster: D-4222. Bouwjaar: ca 1935.

Winkelmagazijn De Zon

Kanaalstraat 56 – Winkelpand

Deze winkel was vroeger onderdeel van de RK Coöperatie ondeling belang, nu is er een opticien.

Kadaster: D-3293. Bouwjaar: 1929.

Het winkelpand is gebouwd in 1929 heeft als adres Kapelstraat 2. Het winkelpand met bovengelegen woonhuis (Kanaalstraat 56), is een gaaf voorbeeld van de architectuur uit die tijd. Architect C.W. Barnhoorn uit Lisse ontwierp dit pand in de stijl van de Amsterdamse School. Naast het winkelpand was in de Kapelstraat oorspronkelijk de woning van de bedrijfsleider. Dit pand is gesloopt.

Het hoekpand heeft een rechthoekige plattegrond en bestaat uit twee bouwlagen onder een samengesteld schilddak. De muren aan de rechter kant (kant Kanaalstraat) zijn iets hoger opgemetseld, waardoor de vensteropeningen in het hogere muurvlak op de 1e verdieping groter zijn.
De gevels zijn opgebouwd uit rode baksteen in kettingverband. De vensteropeningen op de begane grond worden omlijst door bakstenen kapitelen voorzien van decoratief metselwerk en afgesloten door natuurstenen ornamenten. Een doorlopende, ronde latei boven de vensteropeningen verbindt het geheel met elkaar.
In de afgeschuinde hoek bevindt zich de entree met een deuromlijsting van betonnen blokken. Rechts in de kopgevel bevindt zich de toegang tot de bovenwoning.

De raampartijen op de begane grond zijn in de loop der tijd veranderd.
Tussen de twee bouwlagen zijn enkele uitkragende bakstenen banden aangebracht. De gevel wordt door een aangesmeerde kroonlijst en een uitstekende bakgoot afgesloten.

De winkel werd lange tijd gebruikt door de RK. Coöperatie. De telefoongids van 1950 vermeldt onder nummer 3324 Coöp. Verbruiksvereen. Onderling belang door steun verkregen. Het pand is nu in gebruik als opticien.

De oude foto toont nog een ingang aan de linker kant die blijkbaar later is prijsgegeven.

Kanaalstraat 56

JOHANN(JO) DE KOOKER

Johannis De Kooker geboren in 1904 was rijwielhersteller. Zijn levensverhaal wordt vertelt. Hij richtte een solexclub op.

Door Annette Heus

Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 4 Herfst 2017

Grootvader Johannis was in Breskens geboren en werkte al voor 1885 als grondwerker in de Haarlemmermeerpolder die al in 1852 was drooggelegd. Voor het verder geschikt maken van het land was veel arbeidskracht nodig. Dat trok jonge kerels aan uit gebieden waar minder werk was, ook uit het Zeeuwse. Toen Johannis hier een plekje had verworven, liet hij in 1885 zijn gezin overkomen, eerst in Abbenes en in 1902 zijn zij verhuisd naar Lisserbroek. Willem was het 7e kind uit dit huwelijk en trouwde met Jaantje Scheering. Vader Willem verdiende zijn geld als bloembollen-controleur. Jo was de oudste van de negen kinderen, twee zijn al vroeg gestorven en één kindje werd levenloos geboren. De kinderen gingen naar de openbare school in Lisserbroek. Een schoolfoto (1914) laat wel zes kinderen met De Kooker als achternaam zien, het was inmiddels al een grote familie geworden. Zie pagina 123 van “Zo was het in Lisserbroek”.

Hoe het begon

Jo bracht zijn diensttijd door bij het Regiment Wielrijders. Zo zou zijn voorliefde voor de fiets kunnen zijn ontstaan en heeft hij er later zijn beroep van gemaakt. Maar zijn grootste liefde ging later uit naar Trijntje (Truus) van Houten, waarmee hij trouwde en zij kregen twee dochters. In oktober 1925 startte hij zijn eigen zaak. Hij begon met het repareren van fietsen in het schuurtje bij zijn ouders achter Kanaalstraat 157. Dat is het punt waar nu de Oranjelaan (die was er nog niet) met de Kanaalstraat kruist.

Nelson en Stokvis

Jo startte zijn loopbaan als rijwielhersteller maar daar kwam al snel ook de verkoop bij. Het was dan wel crisistijd, maar een fiets moest je in die tijd toch wel hebben. Het moesten wel degelijke fietsen zijn en we vinden de naam Jo De Kooker al vermeld als agent voor Nelson rijwielen in de Nieuwe Leidsche Courant van begin 1929. Deze Nelson rijwielen kwamen van de rijwielfabriek Alt uit Leiden. Degelijke fietsen, je ging er in die tijd nog vanuit dat een fiets je leven lang mee zou gaan. De vernikkelde delen van deze fietsen werden “vercadminiumd” en zouden niet meer roesten. Deze Leidse fabriek vervaardigde ook voor de Firma Stokvis te Rotterdam, dit bedrijf zullen we verderop nog tegenkomen. Rond 1930 kon hij een pand huren op het adres Kanaalstraat 179. Daar begon hij zijn fietsenwinkel. Daar heeft hij ongeveer 5 jaar gezeten. Op 15-03-1935 opende hij een andere winkel op het adres Kanaalstraat 50. Later werd dit uitgebreid naar het pand van de buurman sigarenwinkelier Hendrik van Voorst, te weten Kanaalstraat 52.

Oorlogstijd

In de oorlog was het natuurlijk moeilijk in de rijwielbranche. Materiaal werd schaars, maar hersteld moest er natuurlijk worden. Het waren de Duitsers die de belasting op de fiets en dus het fietsplaatje afschaften in 1941, maar wat had je er aan. Nieuwe fietsen werden toen eigenlijk al niet meer gemaakt. Nieuwe banden waren ook niet meer te krijgen want het rubber werd niet meer geleverd. De houten band was een mogelijkheid om dat probleem op te lossen.

Stiekeme foto vanachter de gordijnen. Duitse soldaat met twee ingepikte fietsen in de Kanaalstraat. Wat zouden die jongens daar zachtjes tegen elkaar zeggen?

Eind 1944 volgt dan de maatregel dat fietsen ingeleverd moeten worden. Daar werd natuurlijk niet mee akkoord gegaan, veel fietsen verdwenen naar een onvindbare plek. De fiets kreeg ook wel een andere bestemming. Elektriciteit werd problematisch, maar met een fietsdynamo kon je wel stroom opwekken. Dus fiets in de kamer en trappen maar. Na de oorlog nam de vraag naar fietsen weer snel toe. Maar een nieuwe fiets kopen was niet voor iedereen weggelegd. Heel wat oudjes werden opgeknapt in de reparatie bij De Kooker. Een kinderfiets was echt een luxe waar je niet zo snel aan begon. De oude fiets van opoe voldeed prima. Met houten klossen natuurlijk want anders kon je de trappers niet rond krijgen. Er zijn vast nog wel lezers die zo aan het fietsen begonnen.

Solex dealer

Toen Jo de Kooker in 1963 overleed werd de zaak overgenomen door Kuijper.

Gelukkig ging het voorspoedig met de wederopbouw. Men kon zich weer iets permitteren. Soms zelfs een Solex. Een Solex is van oorsprong een Frans ontwerp. In 1948 kwam de eerste Solex in Nederland aan bij de firma Stokvis te Rotterdam. Jazeker, dezelfde firma waar Jo de Kooker ook ver voor de oorlog al contacten mee had via rijwielfabriek Alt uit Leiden. Natuurlijk duurde het niet lang of ook in Lisse werd de “nieuwe” vinding getoond. Bij De Kooker uiteraard. Hij werd rayondistributeur. Animo om een Solex te kopen was er genoeg. Men kon zelfs niet meteen aan de levering voldoen. In 1949 was er zelfs een wachttijd van ruim 8 maanden! Wanneer Jo in oktober 1950 het jubileum viert ter ere van het 25-jarig bestaan van de zaak wordt ook het Solex-Service-Station geopend. In 1951 wordt door de Solex-maatschappij een Solex-rally georganiseerd vanuit allerlei plaatsen in Nederland met als eindpunt Schiphol. Dat bracht de Solexrijders bij elkaar. Iedereen vond het zo leuk dat er diverse Solexclubs in ons land werden opgericht. Als rayondistributeur van Solex nam Jo de Kooker hiervoor het initiatief in Lisse voor de Bollenstreek. Hier enkele namen van leden: dhr. Riedijk, dhr. Koordes en zijn vrouw T. Koordes–van Hoven, R. Moolenaar, dhr. Witte, dhr. Schaap, dhr. L.v. Dijk, de heren J. en M. van Zelst, en mvr. A.van Zelst-Bekkers.

De Solexclub staat startklaar voor de winkel,.. follow the leader.

Tijdens het seizoen werden dan door de Solexclub verschillende puzzelritten gereden en werden er ook andere activiteiten georganiseerd. Met de routebeschrijving in de hand leek de rit erg makkelijk. Maar soms viel het toch wat tegen en doolde men door de straten van Heemstede. De controleposten deelden met gulle hand de nodige strafpunten uit. Sommige deelnemers waren zo de weg kwijt dat ze niet in Bloemendaal maar bij Schiphol in de rondte reden. Maar toch overleefden 13 deelnemers de rit zonder strafpunten. Er lagen aardige prijzen te wachten op de winnaars. Levensgrote taarten, banden, fietstassen, blikjes brandstof e.d. De Solex bleef zeer succesvol en zo ook de verkoop hiervan.

 

Jo had 2 dochters maar geen opvolger in de zaak. Toen Jo de Kooker in 1963 overleed werd de zaak overgenomen door Kuijper. De Solexclub herdacht Jo in de jaarvergadering van februari 1964, die zoals gewoonlijk in De Witte Zwaan werd gehouden. De winkel en de werkplaats werden overgenomen. En natuurlijk ook het dealerschap van Solex. Kuijper had al een zaak in Sassenheim en stond al tijden samen met Jo de Kooker en andere distributeurs vermeld in de advertenties van Solex. De zaak in Sassenheim bestaat nog steeds. In mei 1966 vierde de Solexclub haar 15-jarig bestaan in gebouw Salvatori. Voorzitter Van Duijnhoven memoreerde natuurlijk Jo de Kooker als initiatiefnemer van de club en meldde trots dat de saamhorigheid bij de leden groot was. Ook leden die inmiddels een auto als vervoermiddel hadden bleven vanwege die saamhorigheid nog steeds lid van de club. Ook de jaarvergadering van 1969, weer in De Witte Zwaan, verhaalt van een goed jaar en kondigt weer diverse activiteiten aan voor het volgende jaar. Op 10-02-1970 meldde de Nieuwe Leidsche Courant echter dat de Solexclub was opgeheven. De avond ervoor was de laatste officiële vergadering in De Witte Zwaan gehouden. Voorzitter Van Duijnhoven gaf aan dat het steeds moeilijker werd om als club tochten te ondernemen. Daarom werd

Toen Jo de Kooker in 1963 overleed werd de zaak overgenomen door Kuijper.

besloten de Solexclub op te heffen. Men wilde nog wel doorgaan als gezelligheidsclub maar of die nog lang bestaan heeft is ons niet bekend. De Solex bleef nog een tijdje erg populair. Er volgde nog een verhuizing van het merk naar Hongarije. Sommige modellen werden daar en ook in China nog lang gebouwd. Dan was er ook nog een Frans bedrijf dat de oude modellen opnieuw produceerde, maar om juridische redenen niet onder de naam Solex maar als Black ’n Roll. In totaal schijnen er meer dan 8 miljoen exemplaren van de Solex verkocht te zijn. Solex rijden is puur nostalgie en de oude modellen doen het nog steeds goed. Organisaties die toertochten organiseren zijn als paddenstoelen uit de grond gerezen. Zou er nog een Solex rondrijden die ook al meedeed met de toertochten van de Solexclub? Ik wacht vol spanning op eventuele reacties. ■

EEN NOTARIËLE AKTE UIT 1868: Vier pandjes op de Heereweg

Herberg Het Wapen van Haarlem met de uitbaters familie Nieuwenhoven

Door Arie den Hoed

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 2, april 2015

Wanneer we de Heereweg vanuit het Noorden richting het dorp afwandelen komen we langs vele mooie panden, genoemd in het boek van de V.O.L. “Registratie waardevolle panden in Lisse”. Als we de Veldhorststraat/Westerdreef naderen zien we daar tegenover twee kleine witte winkeltjes, een klein wit winkeltje met ernaast een wel heel klein wit winkeltje, de nummers 145 en 147. Het boek van de V.O.L. zegt daar eigenlijk niet meer over dan dat pand 145, evenals het vorige pand, No. 143, in de eeuw daarvoor, (het tijdvak 1800-1900) een boerderij geweest kan zijn. Ook Hulkenberg heeft er in zijn boekjes over Lisse, Lisse I op blz. 22 en in Lisse 2 op blz. 18 weinig over gezegd. Maar is het eerder wel een boerderij geweest?

Zicht vanaf de Van der Veldhorststraat/Westerdreef, rond 1990

Wij kennen deze pandjes eigenlijk alleen maar als winkeltjes. Het grotere winkeltje staat nu al geruime tijd leeg maar in het kleine winkeltje vinden we een handwerkzaak voor bijzondere handwerken. Er zijn de laatste jaren in het grotere pand ook een aantal Woord en Daad-winkeltjes geweest o.a. ook van Mevrouw Verloop-Buurman. Er is nog een oudere foto van het grotere pandje, die o.a. ook in het boek van de V.O.L. staat, waar het lijkt alsof er in het grotere pand allemaal lampen hangen en bij het kleine pandje staat “Babyshop” op de muur. Maar van wanneer deze foto is staat er helaas niet bij. Het zou zelfs een foto van één van de eerste Woord en Daad winkels kunnen zijn. We weten helaas ook niet of er in deze twee pandjes altijd winkels geweest zijn. Zie ook de pagina’s 246-250 uit het boek van Erik Vergunst. Maar laten we daarvoor eerst maar eens een oude notarisakte uit 1868 bekijken.
Enige tijd geleden kreeg ik van een mede geïnteresseerde in historie een geschreven kopie van een notaris-akte uit 1868 over de betreffende pandjes. Hij had hem voor mij overgeschreven van de originele akte, die gevonden was in de nalatenschap van een oude tante met de naam “van Nieuwenhoven” en die naam komen we in het boek van Erik Vergunst ook bij die betreffende pandjes tegen.
Laten we eerst eens kijken wat die betreffende notarisakte ons te vertellen heeft. Het betreft een akte van notaris D.J. van Stockum gedateerd 29/7 1868 met betrekking tot de verkoop van een viertal pandjes, een wat groter pandje en een drietal hele kleintjes aan de Heereweg voor de familie Plevier. Die familie was toen in het bezit van die vier pandjes.
Het gezin Plevier dat wij hier tegenkomen bestond uit de volgende personen: Johanna Hoekveld, weduwe van Jan Plevier, en haar kinderen: Johanna Cornelia Plevier, overleden 6/9 1865, getrouwd met Joannes van Zanten. Frederik Plevier, in 1868 arbeider (en in 1875 tuinman) Jacobus Plevier, tuinman te Sneek Willem Plevier, spoorwegwachter te Lisse Johanna Maria Plevier getrouwd met Leendert-Willem Baak Pieter Plevier, tuinman te Haarlem Het gezin telde oorspronkelijk meer kinderen, maar die waren jong overleden. Overigens was die Joannes van Zanten een oomzegger van Rutgerd Velthuijsen van Santen, gedoopt op 22 mei 1785 te Hillegom, de stamhouder van de huidige familie Veldhuijzen van Zanten. Maar laten we eerst maar eens gaan kijken wat wij over de familie Plevier aan de weet kunnen komen. Daarvoor moeten wij eerst Lisse even verlaten. Jan Plevier jr. werd geboren op 13/8 1788 in Egmond Binnnen. Hij trouwt op 19/2 1815 te Lisse met Johanna Hoekveld, geboren op 23/11 1794 te Utrecht. Maar de eerste kinderen werden in Voorburg geboren en zijn beroep wordt daar dan tuinman genoemd. Drie van zijn zonen vinden we later ook terug als tuinman n.l. Jacobus te Sneek en Pieter te Haarlem en Frederik te Lisse. Later vinden wij Jan jr. toch weer terug in Lisse. Hij koopt daar dan in 15/8 1822 een pand dat in de aankoopakte een ”herberg en tapperij” genoemd wordt. Het pand draagt de naam “Het Wapen van Haarlem” en Jan Jr. wordt tapper genoemd.
De vader van Jan Plevier Jr. was ook een Jan Plevier, geboren in Haarlem op 26/3 1760. Hij trouwde op 30/10 1785 in Haarlem met Hendrika Veldkamp geboren in Varsseveld. We vinden Jan Plevier Sr. later terug in Hillegom, waar hij op 8/11 1823 is overleden. We maken nu even een ommetje naar Hillegom en daar komen we dan op 18/9 1830 Jan Plevier Jr. tegen, hij wordt dan tapper genoemd wonende in nr. 191 te Lisse. Hij is er voor het transport de rato caverend van Pieter Hogervorst voor zijn moeder, Hendrika Veldkamp, weduwe van Jan Plevier Sr. van een stuk tuingrond ten ZW van de Moolesteeg en ten NW van de laan van Six (tegenwoordig is dat op de hoek van de Molenstraat en de Van den Endelaan). Zijn moeder woont dan in Diemermeer buiten Amsterdam. Jan Plevier Jr. overlijdt op 27/6 1845 in Lisse. Hij is dan 23 jaar tapper geweest.
Nu gaan we dan eindelijk aan de overdracht van de tapperij/herberg “Het Wapen van Haarlem” beginnen. Wie de tapperij na het overlijden van Jan heeft waargenomen vertelt het verhaal niet, dat kan zijn weduwe geweest zijn, maar ook zijn oudste dochter Johanna Cornelia die getrouwd was met Joannes van Zanten. Want op 4/1 1856 koopt Joannes van Zanten, de man van Johanna Cornelia, de tapperij “Het Wapen van Haarlem.” Het lijkt er dus op dat die Johanna Cornelia de zaak heeft voortgezet. Maar op 6/9 1865 overlijdt Johanna en op 30/9 1865 ook nog haar dochter Johanna Cornelia jr. Na de dood van Jan Plevier heeft zijn weduwe Johanna Hoekveld naast “Het Wapen van Haarlem” nog drie kleine pandjes bij laten bouwen. Maar op 29/7 1868 wordt de hele zaak dan toch te koop aangeboden en de vier panden worden als volgt omschreven: No.1 Een huis genaamd “Het Wapen van Haarlem” No.2 Een huis bevattend; Woonvertrek, Keuken, Zolder en Kelder. Dit perceel is groot 4 roeden en eenendertig Ellen No.3 Een huis bevattend; Woonvertrek, Zijkamer, Keuken, Zolder en Kelder, tesamen groot drie Roeden, zevenenveertig Ellen No.4 Een huis bevattend; Woonvertrek, Keuken, Zolder tesamen zes Roeden achttien Ellen, huis schuur en erf.

Blijkbaar was er in 1894 een verkoping van Het Wapen van Haarlem Leidsch Dagblad 1894

In eerste aanleg wordt er op pand 1 1450 gulden geboden door Johan Friederick Flinck, sinds 1862 eigenaar van “Rosendael”, oud-pastoor van Berkel en Rodenrijs, en rustend in “Rosendael”, dat schuin tegenover “Het Wapen van Haarlem” lag. Op de panden 2 en 3 werd zeshonderd en dertig gulden geboden door Frederick Plevier en op pand 4 zeshonderd en tien gulden door Cornelis van der Pluijm, arbeider. Na een tweede ronde werden de panden als volgt verkocht: “Het Wapen van Haarlem” aan Warbout Bergmen, tapper te Lisse voor veertienhonderd en vijfenzeventig gulden. Pand nummer 2, 3 en 4 , aan LeendertWillem Baak, Frederik Plevier ieder voor zeshonderdendertig gulden en aan Cornelis van der Pluijm voor zeshonderdtien gulden.

Het Wapen van Haarlem met de uitbaters familie Nieuwenhoven

 

 

 

Zo heeft één oude notariële akte ons aardig wat informatie gegeven over de Witte Winkeltjes in de periode 1818-1868. Zo zal er in alle notariële aktes van Lisse over heel wat gebouwen uit die periode wat terug te vinden zijn. In de huidige literatuur lezen we in de boekjes Lisse I en Lisse II, van Hulkenberg, dat in het grote witte pandje de tapperij “Het Wapen van Haarlem” gevestigd was en dat die in de volksmond ”De Hobbel” werd genoemd, omdat er in de tapperij behang met hobbelpaarden hing en dat Nieuwenhoven er in 1892 tapper was. Overigens valt er in die boekjes over andere zaken ook veel te vinden. Ook in het dikke boek van Erik Vergunst valt veel te vinden over die periode. We lezen daar de achtereenvolgende bezitters van alle dan aanwezige panden in Lisse. Een van de kleine pandjes wordt al snel gekocht door de slager Buschman en in 1878 wordt daar een grote schuur bijgebouwd, die dienst gaat doen als slachterij. In 1919 vertrekt Buschman dan naar het Vierkant in de winkel waar we nu Grimbergen vinden. Ook vinden we daar dan nog het pand dat Leendert-Willem Baak in 1868 gekocht heeft en dat is dan de enige van de aanvankelijke kopers die we in die tijd terug vinden. Ook zien we daar dat Theodorus Cornelis Duivenbode, groenteman, in 1955 het grootste pand koopt van Jan Nieuwenhoven. Hij heeft dat waarschijnlijk daarvoor gehuurd, want het is bekend dat daar omstreeks 1946 al een groentezaak was.

 

DE WINKEL VAN TISSING EN ZIJN VOORGANGERS Deel I: Eerste eigenaren en bewoners, 1860-1905

Het huidige gebouw op de hoek van de Kanaalstraat en de van der Veldstraat is in 1938 gebouwd. Het huis daarvoor was in 1911 gebouwd. Daarvoor stond er ook al een gebouw van rond 1860. Dit is gebouwd door Karel Lindaart. Zijn wel en wee wordt besproken. Johannes Barnhoorn was de eerste bewoner. De overige eigenaren tot 1905 komen aan de orde.

Door R.J. Pex

NIEUWSBLAD Jaargang 13 nummer 2, april 2014

Inleiding

De laatste tijd is de fraaie, typisch jaren dertigachtige, winkel van Tissing, gelegen op de hoek van de Kanaalstraat en de Van der Veldstraat, even onderwerp van debat geweest. Even was men bevreesd dat het, daar het gebouw recentelijk een nieuwe eigenaar heeft gekregen, met het markante bouwwerk dezelfde kant op zou gaan als bijvoorbeeld het sigarenmagazijn Juliana, er vlak tegenover. Dat zou dan neerkomen op….sloop! Gelukkig zijn de plannen van de kersverse eigenaar niet zodanig ingrijpend dat dit gedeelte van de Kanaalstraat opnieuw ontdaan zou worden van een op zich fraai monument en beeldbepalend pand. Men ontkomt er echter niet aan om het inwendige aan een verbouwing te onderwerpen, maar me dunkt dat we daarmee kunnen leven…
Reden te meer echter om eens terug te blikken met betrekking tot dit interessante stukje van Lisse. Er is daarbij – gelukkig! – zoveel informatie tevoorschijn gekomen dat we dit ´terugblikken´ vervatten in meerdere delen.
In dit eerste deel komt de negentiende eeuw aan bod.

Daarbij moet evenwel niet het idee ontstaan bij de ongetwijfeld zeer geïnteresseerde lezer dat de huidige ´winkel van Tissing´ al uit die tijd zou stammen. Zoals reeds opgemerkt stamt het huidige gebouw uit de jaren dertig (bj. 1938). Het heeft echter een tweetal voorgangers gekend. Zo heeft er vóór 1938 ook een winkel gestaan die wat betreft datering terugging tot in 1911. Het huis dat daar weer voor gestaan heeft, stamde echter inderdaad uit de negentiende eeuw. Het was rond 1860 gebouwd door Karel Lindaart als arbeiderswoning. Maar wie is nu die Karel Lindaart?

Karel Lindaart (1817-1862)

Karel werd in 1817 geboren te Schermerhorn als zoon van een chirurgijn. Zijn ´roots´ lagen dus niet op Lissese bodem. Hij heeft het in het leven niet altijd even makkelijk gehad. Als de kleine Karel nog maar 13 jaar oud is, overlijdt zijn vader. Zijn moeder volgt op Oudejaarsavond van het jaar 1847. De feeststemming op de overgang naar het nieuwe jaar zal dus wel enigszins getemperd zijn geweest. Toch weet Karel zich weer te ´herpakken´ en op 7 mei 1848 treedt hij te Zaandam in het huwelijk met Geertje Timmerman. Bij die gelegenheid wordt hij voor het eerst timmerman genoemd. In hetzelfde jaar, om onbekende redenen tot dusver, verhuist hij naar Lisse. Hij neemt zijn intrek in een huis aan de Kanaalstraat (die tot omstreeks 1910 Broekweg werd genoemd), aangeduid met het huisnummer 177. Daar we weten, vanuit reeds eerder gedaan ´naarstig´ onderzoek, dat huisnummer 180 was toegekend aan Het Hofje, moet nummer 177 drie huizen verderop in de richting van de Heereweg gestaan hebben. Daar wordt ook het eerste kind geboren, genaamd Brigitta. We schrijven dan 24 december 1849. De gevoelens van Klaas zullen wel zeer gemengd zijn geweest, daar bijna exact twee jaren ervoor zijn moeder het leven liet in het sterfbed. We hebben echter de indruk dat Karel Lindaart niet bepaald de persoon was die bij de pakken neer ging zitten. Het wordt ´gezellig druk´ daar in huisnummer 177, want in de komende jaren worden er nog drie zonen en twee dochters geboren. Ook fi nancieel gaat het onze timmerman voor de wind en zo koopt hij dan in 1857 een huis met grond aan de andere zijde van de Kanaalstraat, ter plaatse van de huidige pizzeria en Dreijer Optiek. De verkoper van het huis is Pieter Hendrik Koppeschaar. 1

 Het jaar 1858

Het jaar 1858 verloopt voor Lindaart niet zo heel voorspoedig. In april komt zijn negenjarig dochtertje Brigitta te overlijden. De maand november verloopt zelfs nog slechter. Binnen een periode van 10 dagen (16 november-19 november 1858) overlijden zijn twee zusters Antje en Aagtje én zijn broers Jan en Willem! Een oorzaak is moeilijk aan te geven. Het is echter mogelijk dat er een epidemie gewoed heeft in de Haarlemmermeerpolder, waar Antje en Aagtje stierven. Juist in 1858 brak daar namelijk moeraskoorts uit. Jan overleed echter te Schermerhorn. Het is onbekend door welk lot hij getroffen werd. Of moeten we denken aan een landelijke epidemie? Zo was er in 1859 sprake van een choleraepidemie in Nederland. Hoewel de genoemde sterfgevallen allen in 1858 plaatsvonden, kan het zijn dat de eerste verschijnselen zich al aan het einde van laatstgenoemd jaar openbaarden. Overigens bracht het jaar 1859 voor Karel Lindaart ook al geen prettig nieuws: nog maar net was zijn vrouw bevallen van een dochter, Brigitta (genoemd naar het in april van het vorige jaar gestorven dochtertje), of ook dit kind komt hem op 27 augustus te ontvallen. Tenslotte overlijdt ook zijn echtgenote op 17 december 1859. Karel zal wel gedacht hebben, waar hij het allemaal aan verdiende. Zoveel ongeluk in zo weinig tijd…

Bouwactiviteiten,

1860 Karel Lindaart leefde in een tijd waarin alles maar heel relatief was: op het ene moment was er sprake van geluk door de geboorte van een kind of een andere blijde gebeurtenis en het andere moment bracht hoofdzakelijk ziekte en tenslotte de dood met zich te weeg. Karel wist er alles over te vertellen. Misschien – wie zal het nog kunnen navertellen? – was dat de reden dat hij in 1860 iets wilde doen om het leven van de arbeider wat aantrekkelijker te maken, door voor hen een woning op te trekken aan de andere kant van de Kanaalstraat. En dit is precies op de plek van de latere winkel van Tissing. 2

We weten niet precies hoe deze woning er uit heeft gezien. Wél beschikken we over een aantal kadastrale minuutplannen van Lisse uit 1888. Ook de Kanaalstraat is in beeld gebracht (zie afb. 1). Deze bevindt zich aan de rechterzijde van de kaart. Helemaal bovenaan loopt de Heereweg. Links tenslotte de Grachtweg met zijn typische bocht ter hoogte van het ´kaaspakhuisje´. Wij concentreren ons echter op de Kanaalstraat. Lindaart woonde in het huis, kadastraal aangeduid met het nummer 960. Een aantal huizen verderop, richting de Kapelstraat, bevindt zich het in 1883 gebouwde Hofje.3 De afzonderlijke woningen staan op de kaart aangeduid met de kadastrale nummers 829 en 1183 tot en met 1186. De woningen daaronder werden in 1881 door Jan Jacob Guldemond gebouwd. Hier eindigde de bebouwing aan de Kanaalstraat. Aan de andere zijde van de straat hield de toenmalige bebouwing op bij de nummers 1211 en 1212. Op laatstgenoemd perceel bevindt zich de in 1888 nog vrij nieuwe woning van kaashandelaar Martinus Romijn. De woning daarboven is de in 1860 door Karel Lindaart gebouwde arbeiderswoning. Daarnaast zou in 1905 de Van der Veldstraat aangelegd worden. Zoals we zien, bevindt zich ter plaatse van de pizzeria en Dreijer Optiek een blok woningen, eveneens gebouwd door Karel Lindaart in 1860.

Eerste bewoners

Het is goed mogelijk dat Lindaart in deze nieuwe arbeiderswoning zijn personeel ondergebracht heeft. Zoals we weten oefende hij het beroep van timmerman uit. Eén van de eerste bewoners, te weten Johannes Barnhoorn, was inderdaad timmermansknecht. Dat hij ook nog een band had met Lindaart blijkt wel uit de vermelding van een tweetal kinderen uit het gezin van Lindaart op dit adres. Het gaat om Hermanus (geb. 1855) en Johannes (geb. 1856). De redenen voor deze inwoning door twee van de kinderen Lindaart is niet duidelijk geworden tijdens het onderzoek. Maar Johannes Barnhoorn en Karel Lindaart moeten in ieder geval een zeer nauwe en vriendschappelijke band met elkaar onderhouden hebben. Hoogstwaarschijnlijk werkte Johannes in het timmermansbedrijf van Lindaart.
Johannes Barnhoorn is overigens de grootvader van de bekende Lissese architect Cornelis Willibrordus (Cees) Barnhoorn (1895-1980). Hij was de oudste in een gezin van zes kinderen. Zijn vader, Simon Franciscus, was een zoon van Johannes, de timmermansknecht uit het bedrijf van Karel Lindaart. Johannes werd in 1827 geboren te Hillegom. Hij trad in 1858 in het huwelijk met Cornelia Schuts, die ook in het Hillegomse was geboren in 1830. Zijn gezin bestond anno 1872 uit vier dochters en drie zonen. In hetzelfde jaar koopt hij de woning Grachtweg 5 van Johannes van Beek. Hoogstwaarschijnlijk is hij daar ook gaan wonen, wat hem ongetwijfeld wat meer comfort gebracht zal hebben dan de arbeiderswoning aan de Kanaalstraat. In deze woning is hij in 1906 ook overleden. Zijn vrouw was hem reeds eerder in de dood voorgegaan, namelijk in 1895. In 1924 werd Grachtweg 5 verkocht aan onder meer Cornelis Willibrordus (de architect), die het nog in hetzelfde jaar overdroeg aan Clara Ottilia Maria Paardekooper. Was zij familie van de bekende Aad Paardekooper? Ook hij was architect. In 1946 ging hij een samenwerkingsverband aan met Barnhoorn onder de naam Architectenbureau Paardekooper en Barnhoorn. Zij hebben onder deze naam een aantal markante gebouwen ontworpen in Lisse, zoals de Mariakerk.
Een andere bewoner van het eerste uur was Gerardus Marseille, geboren te Lisse in 1836. Hij staat te boek als ´arbeider´. Verder komen we rond 1860 als bewoner tegen Cornelis Hassing (1839-1902). Daarover wat meer in de volgende paragraaf.

Eigenaren van 1860 tot 1905

Inmiddels was in 1862 Karel Lindaart op zijn verjaardag (7 april) overleden. Hij had als lidmaat van de Rooms-Katholieke Kerk wél het H. Oliesel ontvangen, maar hij was ´te zwak voor de laatste sacramenten’. Zo ging dan degene met wie we de geschiedenis van het latere Tissing zijn begonnen op de relatief jonge leeftijd van 45 jaar heen.

De nalatenschap was met schulden belast, want op 23 mei 1862 wordt in de Opregte Haarlemsche Courant melding gemaakt van de openbare verkoop ten sterfhuize van Karel Lindaart van ´meubelen en verderen inboedel, houtwaren, timmermansgereedschappen etc.´. Tenslotte werd ook de arbeiderswoning verkocht. Dirk Dominé mocht zich de nieuwe eigenaar noemen. Hij verkocht het op zijn beurt in 1864 aan Cornelis Louwen en in 1865 werd Johannes van Rossum eigenaar. In 1867 kwam de woning in handen van Cornelis Hassing, die we hiervoor al als – kennelijk niet geheel onfortuinlijke – bewoner zijn tegengekomen. Tot zijn dood in 1902 is hij eigenaar gebleven. Zijn weduwe, Helena Francina Versteege (1837-1919), is na die tijd gaan wonen ter plaatse van het huidige Heereweg 249 en in de zogenaamde ´huisjes van Steenvoorden´ tegenover de Ned.-Herv. Kerk.

Conclusie

Ter plaatse van de latere winkel van Tissing stond in de negentiende eeuw een vrij eenvoudige arbeiderswoning, gebouwd rond 1860 door Karel Lindaart. Helaas beschikken we niet over een afbeelding van dit huis. Na zijn dood in 1862 ging de woning over in verschillende handen, totdat het in 1867 gekocht wordt door één van de bewoners, namelijk Cornelis Hassing. Erg opvallende zaken lijken er op dit interessante plekje van Lisse nooit te zijn gebeurd, maar interessant is wel te vernemen dat één van de eerste bewoners de grootvader van architect Kees Barnhoorn is geweest. Ook de naam Marseille komen we in Lisse nog veel tegen. In het volgende deel zullen we de periode na 1905 behandelen.

Bronvermelding

Erik Vergunst, Geschiedenis van Lisse in oude ansichten en plattegronden (Schoonhoven 2007).
Gemeentearchief Lisse, bevolkingsregisters en DTB-registers.

  1. Hij was in 1838 aangesteld door ´Burgemeester en Assessoren´ (College van BenW) als bode, aanplakker en omroeper en woonde met zijn gezin van 1850 tot 1856 in de woning Grachtweg 1a. Eén van de affi ches die hij aan had moeten plakken, vond uiteindelijk een weg in een grote spleet van een balk van het huis dat hij bewoonde. Vele decennia later haalde de huidige bewoner van het huis hem weer tevoorschijn.
  2. In hetzelfde jaar liet hij overigens de in 1857 gekochte woning (ter plaatse van de huidige pizzeria) slopen en er een blok van vier woningen bouwen.
  3. Over de geschiedenis van Het Hofje en zijn bewoners kan de lezer meer vernemen in het Dever Bulletin (meerdere afl everingen) en de monografi e daarover, waarin deze afl everingen zijn samengebracht door de heer Dol te Lisse.

In de collectie van Tissing bevindt zich deze foto van een winkelpand op een onbekende locatie, dat sterke gelijkenis vertoont met de winkel van Tissing zoals deze in 1938 tot stand kwam. Heeft Egbert zich hierdoor laten inspireren?

De winkel van Tissing en zijn voorgangers Deel III: Het ga je goed Kanaalstraat 33!

De geschiedenis van Tissing van 1938 tot  1979 wordt beschreven.In 1938 werd het pand aan de Kanaalstraat 33, magazijn De Zon gebouwd voor Tissing.

 Door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 1, januari 2015

Inleiding

In de collectie van Tissing bevindt zich deze foto van een winkelpand op een onbekende locatie, dat sterke gelijkenis vertoont met de winkel van Tissing zoals deze in 1938 tot stand kwam. Heeft Egbert zich hierdoor laten inspireren?

In deel II van deze serie hebben we reeds uitgebreid gesproken over Egbert Tissing (1875-1947). Een ondernemer in hart en nieren. Hetzelfde kan gezegd worden van zijn echtgenote, Alijda C.A. de Liefde, met wie hij in 1900 in het huwelijksbootje stapte. Beiden bezaten dezelfde handelsgeest die nodig is om werkelijk iets nieuws te beginnen; iets dat voor de gemeenschap toegevoegde waarde heeft. Die gemeenschap werd in 1907 het dorp Lisse. Aan de Van der Veldstraat zette het kersverse huwelijkskoppel een winkel in garen en band op. Het liep zo goed dat Egbert in 1911 een nieuwe zaak startte op de hoek Van der Veldstraat/ Kanaalstraat, nadat ter plaatse de oude arbeiderswoning uit ca. 1860 (zie deel I) was gesloopt. Dit pand heeft zo’n 27 jaar bestaan (altijd goed te herkennen op oude ansichten vanwege het torentje). In 1937, toen de zaak 30 jaar bestond, was het weer tijd voor iets nieuws.

Hoe leerde je het vak nu in de textielwereld? Natuurlijk waren daar cursussen voor. Zo lezen we in 1939 dat onder meer Willem Tissing was geslaagd voor de Haagse Textielcursus. Een groot deel van de kennis deed je echter op in de praktijk. Het zogenaamde ‘leerlingensysteem’ werkte prima: de jongeren leerden het vak ter plaatse en de beste kreeg uiteindelijk een dienstverband aangeboden. Zo was dat vermoedelijk ook gegaan met Dirk Baartse en vele anderen.

Nieuwbouw en uitbreiding, 1938

In 1937 richt architect Leen Tol jr., namens de NV Manufacturenhandel ‘Nederland’ v/h E. Tissing, zich tot het College van B&W om vergunning tot het verbouwen van het winkelpand van Kanaalstraat 33. De vergunning wordt op 8 december verleend. Een jaar later zou Tissing het eigendom verwerven van het belendende pand, dat in handen was van Maria Jacoba van Stijn, waarna sloop zou volgen en uitbreiding op deze plek van de manufacturenhandel van Tissing.
Het nieuwe gebouw werd in Art Decostijl ontworpen. Men was er zeer over te spreken. Ook in de Gemeenteraad uitte men zich in lovende bewoordingen over de nieuwe winkel van de heer Tissing. De officiële opening vond plaats op 17 juni 1938. Ook de etalage mocht er zijn. Een toevallige passant werd er althans zozeer door geboeid dat ze niet op het toekomende verkeer acht sloeg, met alle gevolgen van dien. (Zie advertentie).

Advertentie in de Leidsche Courant van 1 december 1938

Oorlogsjaren

De oorlogsjaren zijn jaren van schaarste. Vooral tegen het einde van deze periode, in 1944/45, vindt er ernstige stagnatie plaats van de aanvoer van grondstoffen. De winkel was dan ook slechts geopend gedurende drie dagen in de week, van 10:00-12:00 uur en van 14:00-16:00 uur. Ep Tissing, geboren in 1941 als zoon van W.J.E. Tissing en M.W.C. Thijssen, weet zich nog goed te herinneren hoe weinig verkoopartikelen de winkel vulde. De verkoopruimten waren soms praktisch leeg… En dan vindt in hetzelfde jaar ook nog een inbraak plaats. Uit de winkel werden in de nacht van 7 op 8 mei 15 herenkostuums ontvreemd en 3 regenjassen. Inmiddels had Willem, geboren in 1905 als zoon van Egbert en Aleida de Liefde, het bedrijf op 1 januari 1941 overgenomen.
Maar dan is de bevrijding eindelijk in zicht…Willem Tissing had nog wat kleurenfilmpjes bewaard om het einde van de oorlog vast te leggen. En dat deed hij dan ook toen het eenmaal zover was. Het resultaat was een prachtig historisch document over het einde van de Tweede Wereldoorlog in Lisse!

Foto genomen vanaf de overzijde van de Kanaalstraat met een zich samendringende mensenmenigte voor de winkel van Tissing, 1947.

Het jaar 1947

Het jaar 1947 wordt in de geschiedenis van Tissing deels gekenmerkt door het overlijden van Aleida de Liefde (op 15 januari), echtgenote van Egbert, en tenslotte ook Egbert zelf (op 3 juli). Op 30 juli overleed bovendien één van de medewerkers in het bedrijf, Dirk Baartse. Hij was in 1908 geboren en reeds op dertienjarige leeftijd bij de zaak komen werken. Bij zijn begrafenis (op Duinhof) werd hij door Willem Tissing een ‘zeer gewaardeerd medewerker’ genoemd. Eén van zijn laatste woorden waren dat hij ‘na grote strijd klein geworden was voor God en kon berusten in Zijn weg’. 1

Het jaar 1947 bracht echter ook goed nieuws. In maart werd het 40-jarig jubileum gevierd. Het werd een feestdag, ook voor de klanten!

Foto ongeveer genomen vanaf sigarenmagazijn Juliana, 1947. Coll. Ep Tissing.

Alles werd in het werk gesteld om hen te helpen aan het nodige textielgoed, want ook dat was na de oorlog (tot ca. 1952) op de bon. De mensen verdrongen zich voor de ingang om een slaatje mee te pikken. Er werden vele gelukwensen in ontvangst genomen. Ook de burgemeester en zijn echtgenote lieten zich hierbij niet onbetuigd. ‘Tal van bloemstukken sierden de zaak’, zo lezen we in de Nieuwe Leidse Courant van 11 maart.

 

Advertentie uit 1947 betreffende het 40-jarig bestaan van Tissing, met een korte historie. Rechtsonder de eerste winkel aan de Van der Veldstraat. Coll. Ep Tissing.

Na de oorlog stond Tissing voor een keerpunt: het bedrijf werd alsmaar groter. Er werd besloten een nieuwe zaak te openen die zich ging specialiseren in woninginrichting. In 1950 werd deze geopend. De winkel bevond zich bij het oude postkantoor dat zich bevond op de hoek Heereweg/Stationsweg (vroeger De Steeg genoemd). Later is het bedrijf aanzienlijk gaan uitbreiden. In de jaren zeventig volgde nieuwbouw.

Advertentie in het Leidsch Dagblad van 21 november 1975, in het kader van het 25-jarig bestaan van Tissing Woninginrichting aan de Heereweg

Eind jaren zeventig komt het meubelbedrijf aan de Heereweg terecht in een recessie. De winkel van Tissing Europa Meubel in Valkenburg gaat in 1980 dicht. Zo ook de vestiging in Lisse. Uiteindelijk krijgt Levensmiddelenconcern Albrecht (Aldimarkt) het groene licht van makelaar Mens om zich in het voormalige pand van Tissing te vestigen. Inmiddels bevindt zich hier de nieuwbouw van De Madelief.

Verhuizing naar Blokhuis, 1979

Tissing Europa Meubel was even een ‘uitstapje’ in ons verhaal. Keren wij nu weer terug naar Kanaalstraat 33. Ook daar doen zich de nodige ontwikkelingen voor. Het bedrijf gaat zich opnieuw specialiseren: dameskleding. De dameskleding vestigt zich in 1979 in Blokhuis, terwijl de herenspeciaalzaak, die op het oude adres aan de Kanaalstraat achterblijft, wordt verkocht aan Ruud Slot. Zo kwam er dan na 68 jaar een einde aan de activiteiten van Tissing op dit adres. De damesmodetak ontwikkelde zich voorspoedig: al in 1972 was een tweede winkel geopend in Alphen aan den Rijn en in 1981 volgden een derde en een vierde winkel in

Woerden en Baarn. In 1989 opende Tissing Mode, zoals het bedrijf zich inmiddels noemde, zijn vijfde filiaal in Hoofddorp. Het hoofdkantoor van Tissing Mode bleef echter in Lisse gevestigd, in het achterste gedeelte van het pand aan de Kanaalstraat.

Op 1 februari 2000 gaat Tissing Mode over in andere handen: Be One wordt de nieuwe eigenaar.

Conclusie

In 1979 kwam er een einde aan de activiteiten van Tissing aan de Kanaalstraat. Maar het pand uit 1938 staat nog fi er overeind! Het pand waarvan de etalages zo mooi waren ingericht dat een voorbijrijdende fi etser alleen daar nog aandacht voor had en zo in botsing kwam met het overige verkeer… Dan moet de winkel wel heel smaakvol en met toewijding ingericht zijn geweest! Ja, toewijding! Dat is misschien wel het beste woord dat we kunnen vinden voor de activiteiten van Egbert, zoon Willem en tenslotte kleinzoon Ep Tissing. Succes komt niemand aanwaaien; je moet er wat voor doen. Dat heeft de familie Tissing zeker gedaan. Het resultaat kon niet uitblijven. Nu Tissing een naam uit het verleden is, hopen we dat hun voornaamste Lissese creatie op de hoek Kanaalstraat/Van der Veldstraat nog een mooie toekomst tegemoet gaat! Wellicht met een andere bestemming, maar als het markante Art Decogebouw daardoor gehandhaafd kan blijven, mogen we daar in Lisse waarschijnlijk heel content mee zijn. Kanaalstraat 33: het ga je goed!

Noot 1. De vele overlijdensgevallen doen ons vermoeden dat er wellicht een epidemie heeft gewoed. Evenals in de jaren 1858 en 1859 dus; zie deel I van deze serie.

Bronnen – Bouwdossiers van gesloopte en nog bestaande panden in Lisse in het gemeentearchief. – Doop-, trouw- en begrafenisgegevens ontleend aan www.wiewaswie.nl – Krantendatabank van het Regionaal Erfgoed Leiden v/h Regionaal Archief Leiden.

Met dank aan Ep Tissing en Frans Mooyekind.

Maatschappelijke betrokkenheid

In 1976 werd de geheel vernieuwde woninginrichting speciaalzaak geopend. Er werd een wedstrijd georganiseerd: Bij deelname droeg men bij in een project dat beoogde om een stuk duin dat door de warme zomer van dat jaar geheel kaal was geworden, opnieuw te beplanten. Het was één van de blijken van maatschappelijke betrokkenheid van de Tissing-Holding. Zo woedde er in 1949 een grote brand in Sassenheim, waardoor zes gezinnen dakloos werden. Tissing hielp de nood te verzachten door een gift in natura in de vorm van dekens. Daarnaast stond Willem aan het hoofd van een comité dat autotochten organiseerde voor ouden van dagen. Men kon zich onder meer melden in de winkel van Tissing aan de Kanaalstraat. Ook bij de Watersnoodramp van 1953 liet Tissing zich niet onbetuigd. In 1975 besloten de heren Tissing, Paardekooper en Hulkenberg een soort comité te vormen, waarin men ging praten over de planologische vormgeving van Lisse. Het was een tijd waarin er veel veranderde op dit gebied. Het driemanschap wilde hier een positieve bijdrage aan leveren. Het vond echter weinig gehoor bij de burgemeester. Hulkenberg schrijft jaren later: ‘Je werd gewoon het gemeentehuis uit gejaagd. Dat was waardeloos’.

 

 

DE WINKEL VAN TISSING EN ZIJN VOORGANGERS Deel II: De komst van Tissing, 1905-1938

Tissing begon zijn zaak in een woning aan de Van der Veldstraat, al gauw kon hij een ruimer pand betrekken op de hoek Kanaalstraat/Van der Veldstraat. En daarmee legde hij de basis voor een winkelketen van redelijke omvang die uiteindelijk vijf winkels telde in West-Nederland.

NIEUWSBLAD Jaargang 13 nummer 3, juli 2014
Door R.J. Pex

Inleiding

In het vorige deel zijn we geëindigd bij de familie Hassing die geruime tijd heeft gewoond in een arbeiderswoning die gelegen was op de plek waar later de winkel van Tissing zou komen. Cornelis Hassing heeft er niet alleen gewoond, maar heeft ook het eigendom verworven van deze woning in 1867. Dat bleef zo tot in het jaar 1905, toen zijn erfgenamen het verkochten aan Mattheüs van der Veld.

Afb. 1. De Van der Veldstraat in beeld, ca. 1911-1920. A.M. Hulkenberg, Lisse in oude ansichten (Lisse, derde druk 1987), p. 39

Sloop, 1911

Erg lang is deze Mattheüs van der Veld niet in het bezit gebleven van de negentiende-eeuwse voorganger van de winkel van Tissing; in 1910 verkoopt hij het weer door aan de Gebr. Albertus en Abraham Moolenaar. De gebroeders Moolenaar hadden een aannemersbedrijf aan de Kanaalstraat ter hoogte van de huidige Molenstraat. Het was een goed lopend bedrijf dat dan ook haar sporen nagelaten heeft in het Lisse van rond 1900. Zo hebben de gebroeders omstreeks 1898 een rijtje huizen gebouwd aan de Kanaalstraat, ongeveer tegenover het vroegere aannemersbedrijf (deze hebben later plaats moeten maken voor modernere bebouwing en een weg). Maar waar gebouwd werd, moest ook weleens wat gesloopt worden! Inderdaad is de oude arbeiderswoning uit 1860 na de aankoop door Moolenaar in 1910 geen lang leven meer beschoren geweest: er werd een nieuw pand gebouwd, waarin een zekere Egbert Tissing een winkel in manufacturen begon. Ze opende haar deuren reeds in 1911. Maar wie is nu die Egbert Tissing die hier zomaar opeens lijkt op te duiken?

Egbert Tissing (1875-1947)

Deze volbloed ondernemer was in 1875 geboren in het plaatsje Zijdewind. Later staat hij genoteerd als magazijnbediende en reiziger. In die hoedanigheid heeft hij waarschijnlijk ‘de liefde’ van zijn leven ontmoet: Alijda Carolina Augustina de Liefde, die ook handelreizigster was en bovendien bij hetzelfde bedrijf werkzaam was als Egbert. In 1900 traden ze in het huwelijk. Egbert was toen 25 jaar en zijn kersverse echtgenote zeven jaar ouder. Alijda wilde een eigen onderneming starten. Nu was haar broer, Lodewijk, geen onbekende in Lisse. Hij was namelijk werkzaam als stationschef bij het toen nog nieuwe Lissese station aan het einde van de Stationsweg. Hij wist dat er een dorpsuitbreiding op het punt stond om te worden gerealiseerd aan de Kanaalstraat. Inderdaad werd hier in 1905 de Van der Veldstraat aangelegd. Het echtpaar Tissing-De Liefde, dat inmiddels naar Amsterdam was verhuisd, toog nu naar de Van der Veldstraat in Lisse, waar ze een zaak in manufacturen begonnen. Op 8 maart 1907 werd deze geopend. De winkel liep goed en al na een paar jaar werden er plannen gemaakt om een groter winkelpand te betrekken op de hoek Van der Veldstraat/ Kanaalstraat. En zo kwam hier dus in 1911 Tissing in zicht!

Magazijn ‘De Zon’, 1911-1929

Op talloze ansichten is dit gebouw te zien of op zijn minst het bekende ‘torentje van Tissing’. Het werd, zoals eerder opgemerkt, gebouwd ter plaatse van de arbeiderswoning die timmerman Karel Lindaard hier in 1860 had gebouwd voor, waarschijnlijk, zijn personeel. Daarnaast bevond zich een gelijksoortig gebouw dat in 1911 gevrijwaard bleef van sloop. Voorlopig, want toen Tissing opnieuw wilde gaan uitbreiden in 1938, is deze woning toch onder de slopershamer gekomen. Tissing noemde zijn nieuwe winkel ‘Magazijn De Zon’. Was hij daarin uniek? Niet bepaald, want er verrezen in de periode 1900-1910 nog veel meer manufacturenwinkels in den lande met precies dezelfde naam! De warenhuisketen Vroom&Dreesmann is hiervoor de opdrachtgever geweest. Al deze winkels werden gebouwd in de destijds populaire bouwstijl die Art Nouveau werd genoemd, of – in het Duits – Jugendstil. Een stijl waarin bij voorkeur elementen uit de natuur werden verwerkt. Daardoor kwam uiteindelijk ook het voor de warenhuizen typische zonnetje in beeld. Dit werd al gauw overgenomen door andere winkels in manufacturen, omdat ‘De Zon’ inmiddels symbool stond voor de betere warenhuizen en daar wilde men natuurlijk graag mee vereenzelvigd worden! Waarschijnlijk is dit de reden waarom Egbert Tissing in 1911 besloot zijn nieuwe manufacturenwinkel zo te noemen, ondanks het gegeven dat aan het nieuwe gebouw geen enkel zonnetje te bespeuren viel!

In het eerste decennium van de twintigste eeuw verrezen er meerdere panden met de naam ‘Magazijn De Zon’. Een fraai pand is bijvoorbeeld De Brink 100 in Deventer. De gevel is in 1905 gebouwd in Jugendstil naar een ontwerp van F.M.J. Caron. Hij was samen met J. Kuyt één van de vaste ontwerpers van de warenhuisketen Vroom&Dreesmann. Het (gestyleerde) zonnetje, met daaronder de naam ‘Magazijn De Zon’ is te zien op de zwarte plaat die is aangebracht in het midden van het gebouw boven de toegang Een ander V&D-gebouw die dezelfde naam voerde, vindt men nog altijd in het centrum van Gouda. In 1904 had zich hier een tweetal ondernemers gevestigd met een winkel in manufacturen. Het werd al gauw een fi liaal van V&D, waarna er een nieuw Jugendstilpand verrees onder de architectuur van Piet Buskens. Het kenmerkende zonnetje bevond zich hier in het midden van het gebouw op het hoogste punt (boven de gootlijst): een plek die iets meer voor de hand ligt. Ook in Eindhoven was een fi liaal van V&D gevestigd dat de naam ‘Magazijn De Zon’ droeg. Niet iedereen was gediend van deze ‘nieuwe stijl’ (Art Nouveau). Zo merkte mr. Adriaan Loosjes in het weekblad ‘Buiten’ op over het kersverse gebouw van V&D in Gouda: ‘Is het niet treurig dat men straffeloos voor tientallen jaren een stad op dergelijke manier kan verontreinigen?’ Vanuit dit licht bezien, kan men zich goed voorstellen dat Tissing bij zijn keuze voor een nieuw winkelpand niet een gebouw voor ogen had zoals in de genoemde steden Deventer of Gouda. Dat is het dan ook uiteindelijk niet geworden. Al zijn er bepaalde elementen te herkennen die duidelijk zijn aangebracht met een knipoog naar deze stijl, zoals bijvoorbeeld de geglaasde of geglazuurde stenen ter weerszijden van de grote winkelramen. In vergelijking echter met de genoemde warenhuizen is het in het Lissese geval niet tot een heel uitgesproken Jugendstil gekomen.

1929 voert de winkel van Tissing niet langer meer de oude benaming (Magazijn De Zon), maar is het omgedoopt in Manufacturenhandel Nederland v/h E. Tissing. De reden was het toetreden van de zoon van Egbert, W.J.E. Tissing, in het bedrijf, waardoor het van een eenmanszaak een V.O.F. werd. Egbert Tissing mocht zich toen inmiddels (vanaf 1920) eigenaar noemen van zijn winkel. Daarvoor – van 1911 tot 1920 – heeft hij het dus gehuurd.

Magazijn De Zon in beeld, ca. 1911-1925

Op afb.1 is de Van der Veldstraat in beeld gebracht. De weg werd in 1905 aangelegd. Toen Egbert Tissing voor het eerst naar Lisse kwam, moest hij hier nog over hopen stenen en zand klauteren. Hij vestigde zich, op aanraden van zijn schoonvader, in het hoge pand aan de linkerzijde van de straat. Als deze foto wordt geschoten is dat inmiddels verleden tijd geworden, want het nieuwe pand van Tissing is dan – aan de rechterzijde van de foto – reeds gerealiseerd. We schrijven dan 1911 of iets later. In het achterste gedeelte was het winkeltje van Piet Slobbe gevestigd. De meeste mensen die hier op de foto poseren, kunnen we niet meer thuisbrengen. Alleen dan Egbert Tissing! Volgens Hulkenberg zou dat de vierde man van rechts zijn. Dit is niet juist, indien de man met de bolhoed op afb. 3 met hem te vereenzelvigen is, die op zijn beurt grote gelijkenis vertoont met de negende persoon van rechts (met de fi ets aan zijn hand) op foto afb. 1.

Op de foto van afb. 3 hebben we aan de linkerkant zicht op Magazijn De Zon. De winkelramen zijn fraai vormgegeven in – waarschijnlijk – gietijzer. De stijlen links en rechts daarvan zijn vervaardigd van geglaasde of geglazuurde stenen. De hoofdingang is bescheiden vormgegeven, met daarboven een balkon. Nog hoger bevindt zich de eerste verdieping en daarboven het bekende ‘torentje van Tissing’, maar dat valt in dit geval buiten beeld. Rechts van de winkel bevindt zich een pand dat qua vormgeving iets weg heeft van de arbeiderswoning die zich voorheen bevond ter plaatse van de winkel van Tissing. Het was gebouwd in 1883 door Martinus of Maarten Romijn. In 1926 wordt de manufacturenwinkel van Tissing uitgebreid, zo lezen we in de Kadastrale leggers met betrekking tot dit perceel. Onduidelijk is echter of deze uitbreiding plaatsvond richting het daarnaast gelegen huis van Romijn. Dit pand wordt namelijk pas in 1938 daadwerkelijk gesloopt. In de plaats daarvan verrees het nieuwe winkelpand van Tissing. Iets meer richting de Kapelstraat zien we links het in 1895 gebouwde huis van mandenmaker Aangeenbrug. Ter plaatse van het tuintje is later – in 1926 – de huidige kaaswinkel van Romijn gebouwd. De foto van afb. 4 is genomen vóór 1926, aangezien de kaaswinkel van Romijn nog niet bestaat. Wél zien we nog – achter de kapokbalen – de woning uit 1883. De kapok kwam helemaal uit Nederlands-Indië en werd gebruikt voor het vervaardigen van matrassen. De fraaie gietijzeren winkelramen zijn hier goed zichtbaar, met ter weerszijden de al genoemde stijlen/pilasters. De ansicht van afb. 6 brengt het hele gebouw in beeld. Het heet dan nog Magazijn De Zon’. De kaart heeft waarschijnlijk gediend als reclame, al moet opgemerkt worden dat de oplage bijzonder gering moet zijn geweest, gezien de grote zeldzaamheid van deze kaart. Tenslotte brengt afb. 7 het interieur in beeld. Iets wat waarschijnlijk zelden is gebeurd in de (vroegere) geschiedenis van Tissing. We kijken naar de hoofdingang. Rechts bevinden zich, keurig opgerold en opgeborgen in vakken, allerlei katoenen/linnen stoffen, waarvan kleding kon worden gemaakt. Pas vanaf de jaren dertig is men er ook toe overgegaan confectiekleding te koop aan te bieden. Een bijzondere foto!

Conclusie

We eindigen dit deel in het voor de winkel van Tissing belangrijke jaar 1938. Dan zal het pand van 1911 plaats moeten maken voor een moderner gebouw. Inmiddels had Tissing goede zaken gedaan, hoogstwaarschijnlijk in samenwerking met zijn echtgenote, die ook wel wat handelsbloed door haar lichaam had stromen. Begon hij zijn zaak in een woning aan de Van der Veldstraat, al gauw kon hij een ruimer pand betrekken op de hoek Kanaalstraat/Van der Veldstraat. En daarmee legde hij de basis voor een winkelketen van redelijke omvang die uiteindelijk vijf winkels telde in West-Nederland. In het volgende deel richten we onze aandacht op de periode 1938-heden.

Bronnen

Coll. E. Tissing te Lisse, aangevuld met herinneringen en anekdotes. A.M. Hulkenberg, Lisse in oude ansichten II (Lisse, derde druk 1987). E. Vergunst, Geschiedenis van Lisse in oude ansichten en plattegronden (Schoonhoven, 2007).