Berichten

DE BIBLIOTHEKEN VAN LISSE: deel III

Een bibliotheek annex boekenwinkel was gevestigd in de Kapelstraat. Dit was de algemene bibliotheek. Deze bibliotheek stopte toen het echtpaar de Haas met pensioen ging. Romeyn bouwde toen zelf een bibliotheek op.

door Bas Romeyn

NIEUWSBLAD Jaargang 12 nummer 1, januari 2013

Boekhandel annex bibliotheek (of eigenlijk andersom) “De Volharding” was gevestigd in de Kapelstraat. In het pand waar nu de Christelijke Boekhandel zich bevindt. De wat stoffige zaak werd gedreven door het echtpaar de Haas (als ik het goed heb), die op hun beurt de zaak inclusief inboedel overgenomen hadden van C. Moolenaar. Was mijn eerste bibliotheek samengesteld door gereformeerde mannenbroeders, de tweede nog door de Paus zelve met wijwater was ingezegend, de derde en laatste bibliotheek van ons voorzichtig ontluikende dorp kan als “algemeen” gekenschetst worden. Hier was het echte werk te vinden. In de kleine winkel stonden de te verkopen boeken in een fraaie, klassistische eiken kast. Bij het liquideren van de zaak, jaren later, heb ik gaarne van het aanbod gebruik gemaakt om deze over te nemen. Hij heeft zeven jaar in ons eerste huis (Heereweg 87) staan pronken. Achter de toonbank bevond zich in een duister, geheimzinnig labyrint, bestaande uit smalle gangen, de bibliotheek. De basis bestond nog uit boeken van de vorige eigenaar, allemaal van voor de oorlog. Een catalogus bestond niet. Je hoefde alleen maar een genre op te geven waarop je een dikke stapel boeken kreeg. Verwacht werd dat je er direct minimaal één zou nemen. Er was eigenlijk maar één ontsnapping aan dit rigide systeem mogelijk, door te zeggen dat je ze allemaal al kende. Of, van deze methode maakte ik graag gebruik, door ook boeken te kopen en niet alleen te lenen.
Direct al begon ik enthousiast met de onvolprezen en in die tijd mateloos populaire Bob Evers-serie. Wat een fantastische, spannende en vooral humoristische jongensboeken waren dat! Ze waren geschreven door Willy van der Heide (Willem Waterman). In die tijd kwamen er met enige regelmaat nieuwe delen uit. Feest! Betreffende reeks was genoemd naar de Amerikaan Bob Evers. Dit fi guur is eigenlijk nooit zo goed uit de verf gekomen. Het ging om Arie Roos en Jan Prins. Bob gaf wel dat exotische, dat moderne, dat rijke-oom-uit Amerika gevoel aan de boeken mee. Er werd wat afgelachen en geschoten! Vooral de boeken die zich afspeelden op de Kaag (de auteur woonde aldaar) en in Lisse ( met ene Grimbergen!) spraken natuurlijk zeer tot de verbeelding.
Na de Rode Pimpernel, Scaramouche, Captain Blood en nog veel meer historische romans, waarin elegante edellieden, uiteraard voorzien van fl itsende degens en gesteven puntsnorren, smachtende jonkvrouwen het hof maakten, stuitte ik op Thackery Austen en de gezusters Brontë. De facto ook kasteelromans, maar toch op een hoger plan. Dit was literatuur! Er was geen houden meer aan: de onnavolgbare Charles Dickens, met zijn huiveringwekkende ellende en zijn hilarische  humor. Ze trekken weer aan me voorbij: Jings, die lieve kleine Dorrit, Pip, David, mr. Pecksnifft, ach zo kan ik nog wel even doorgaan. De oplichter Tchitchikov van Gogol, het navrante Rood en Zwart van Stendahl, Poe, het vaak herlezen De graaf van Monte Christo, Goethe, Svevo, de subtiele, verslavende Proust. Het wurgende Effi e Briest.. Bij toeval ontdekte ik ook de Vlamingen. Na het eerste boek, ik meen het fi jnzinnige Elias en het gevecht met de Nachtegalen (wat een titel!) was ik verkocht. Wat een sfeer, wat een taalrijkdom. Ze volgden allemaal, inclusief de kaler schrijvende maar briljante Willem Elsschot.
Op een gegeven moment ging het echtpaar de Haas met pensioen en ben ik de vierde bibliotheek van Lisse zelf op gaan bouwen. Een droombibliotheek bestaande uit vele interessegebieden. Deze dijde in de loop der vele jaren zodanig uit dat ik in grote ruimtenood kwam. Er was maar één oplossing: een ander huis! En zo zijn we aan en in het Oude Koningshuys gekomen! Wat boeken al niet teweeg kunnen brengen.

 

Restauratie van 100 jaar oude vaandel van de Lisser RK Middenstands Vereniging St. Jozef “De Hanze”

Corrie Swinkels-Verwer presenteerde het vaandel tijdens een lezing over de geschiedenis van borduren en handwerken.

Nieuwsflits

NIEUWSBLAD Jaargang 11 nummer 2, april 2011

Op 14 februari 2011 ontving de Vereniging Oud Lisse van de Broederscongregatie “Onze Lieve Vrouw van Zeven Smarten” in Voorhout het schitterende ca. 100 jaar oud vaandel, dat heeft toebehoord aan de RK Middenstandsvereniging St Jozef, “De Hanze” te Lisse (zie ons Nieuwsblad Jrg. 10 nr. 2 (April 2011)) Na de inspectie van het vaandel werd besloten om het te laten restaureren.
Heel bijzonder is het, dat mevr. Corrie Swinkels-Verwer ons aanbood om deze restauratie voor de vereniging gratis te doen, waarvoor wij haar bijzonder dankbaar zijn! Corrie is restaurateur van oud textiel en was ook werkzaam voor het Rijksmuseum.
Nadat ze een jaar met deze complexe restauratie van het vaandel bezig is geweest, presenteerde zij het gerestaureerde vaandel dinsdagavond 20 maart in het Cultuur Historisch Centrum “De Vergulde Zwaan”.
Het was een bijzonder boeiende avond met ca. 50 belangstellenden. Ook hebben onze vrijwilligers (o.l.v. Chris Balkenende samen met anderen) de inrichting van de zaal keurig verzorgd. Corrie had heel veel bijzondere textielstukken en merklappen meegenomen en na de uitstalling van haar textiel stukken in de zaal leek het wel een museum!

Broeder Dalmatius (92 jaar!) van de broederscongregatie (“jongeman” zoals Koos van der Zwet hem aankondigde, want hij is nog heel vitaal), hield voorafgaand aan de presentatie van Corrie een inleiding. Hij vertelde hoe het vaandel indertijd bij hun terecht was gekomen in Voorhout (naam van de gever uit Lisse kon niet meer achterhaald worden) en over de achtergrond van de broederscongregatie in Voorhout.
Daarna hield Corrie een inleiding over de geschiedenis van borduren en handwerken, aan de hand van vele in de zaal uitgestalde voorbeelden, ook uit Lisse. O.a. de omvangrijke collectie oud textiel, merklappen en andere voorbeelden uit het handwerkonderwijs die ze van mevr. Cock Nieuwenhuis had ontvangen.
Na de pauze legde ze in detail m.b.v. een diapresentatie uit hoe de restauratie van het vaandel verlopen was, waarna onder veel applaus het gerestaureerde vaandel werd onthuld, dat een aanwinst is voor onze vereniging.
Kortom het was een fantastische avond! Broeder Dalmatius nodigde de Vereniging Oud Lisse uit om in kleine groepen (max.8-10) een of meerdere afspraken te maken voor een bezoek aan het prachtige museum van de broederscongregatie in Voorhout. Komen we op terug!

 

Oproep Op het vaandel van de “De Hanze” afdeling Lisse staat dat de afdeling in maart 1912 is opgericht. Precies 100 jaar geleden! Helaas is er over het vaandel en over de middenstandsvereniging bij ons niet veel bekend. Mocht u meer weten van de geschiedenis van het vaandel of van de vereniging dan horen we dat graag van u.
Vroeger werd er vaak gebruik gemaakt van een vaandel. In Lisse moeten veel meer vaandels gebruikt zijn. Misschien heeft u daar ook informatie over. We houden ons aanbevolen

‘Ze hadden onderduikers op de zolder van hun kaaspakhuis’

 

DOOR WILMA VAN VELZEN

Deel 6 – Hart voor Historie: Grachtweg 1a
Uit het Witte Weekblad van 22 augustus 2007

De Grachtweg in 1885, gezien vanuit het oosten. Links Grachtweg 1a. (Foto: archief VOL)

LISSE – Grachtweg la is te typeren als een pand dat er dankzij particulier initiatief nog staat. De huidige bewoners, Erik Plantenberg en zijn gezin, zijn erin geslaagd het voormalige kaaspakhuis van bouwval te redden. De geschiedenis van Grachtweg la gaat terug tot de zestiende eeuw. Het pand is waarschijnlijk rond 1743 gebouwd door ene Warbout Jurriaanse Vreeburg, ter vervanging van een tot woonhuis omgebouwde schuur.
Plantenberg vertelt, dat zijn woning veel bewoners heeft gekend: ‘Een van hen was Pieter Hendrik Koppenschaar, die hier met zijn gezin leefde. In de gemeentelijke archieven heeft de Lisser historicus Rob Pex kunnen achterhalen, dat deze man in 1838 door burgemeester en wethouders werd aangesteld als bode, aanplakker en omroeper. Een fragment van een affiche uit die periode heb ik tussen de balken aangetroffen. Mogelijk was dit door Koppenschaar in een kier gestopt om de tocht te weren. Uiteraard heb ik het bewaard.’

Kaasstellingen
Rond 1907 komt het pand in bezit van Cornelis Langeveld. Deze richt het woonhuis in als kaaspakhuis. Plantenberg weet nog goed dat, toen hij het pand in 1986 kocht, de kaasstellingen nog aanwezig waren. ‘In het souterrain, waar onze keuken een plekje heeft gevonden, werden de kazen geschraapt. Daarachter bevond zich een geisoleerde ruimte voor het koel houden van de boter. Het naastgelegen pand, waarin thans makelaar Chantal Lefeber is gevestigd, bood ruimte aan een kaaswinkel. Tot het eind van de negentiende eeuw werd het kaasbedrijf voortgezet door Jaap en Theo Langeveld, de jongere generatie. Dit waren overigens twee heldhaftige heren. In de oorlog hadden ze onderduikers op de zolder van hun kaaspakhuis. Nota bene direct onder de neus van de Duitsers, die zich een hoofdkwartier hadden verschaft in de tegenover gelegen oude pastorie!’
Maar Grachtweg la kent meer geheimen. Voor het creëren van meer ruimte besloot Plantenberg, nadat hij bet bestaande gedeelte had gerestaureerd, in dezelfde bouwstijl achter het woonhuis een deel bij te bouwen van oude bouwmaterialen, die hijzelf bijeen had gescharreld. Bij het graven, dat eraan vooraf ging, stuitte hij op de oude beerput. Hierin trof de huidige eigenaar diverse pijpen en scherven van aardewerk en glas aan. Archeologisch onderzoek wees later uit, dat het merendeel van de vondsten afkomstig was uit de vijftiende en zestiende eeuw.

Sluikbegraving
Korte tijd daarna deed Plantenberg opnieuw een vondst, maar deze was luguber. Hij stuitte op een skelet. Als voormalig fysiotherapeut herkende hij hierin menselijke resten. Nader onderzoek wees uit, dat het hier een zogenaamde sluikbegraving betrof van nog voor de Wet op de lijkbezorging. In de zestiende eeuw was het niet ongebruikelijk dat mensen die geen geld hadden op eigen erf werden begraven. Een kerkelijke begraving was dan te duur. Evengoed kan het een zelfmoord of een niet-christen betreffen, omdat deze doden niet mochten werden begraven in ‘gewijde’ grond. Hoewel Plantenberg het graag had gewild, hebben onderzoekers het ware verhaal achter de sluikbegraving niet kunnen achterhalen.

Copyright © 2007 Vereniging Oud Lisse

COÖPERATIE ONDERLING BELANG SLUIT DE DEUREN, MAAR HET WERK GAAT DOOR

De Coöperatie Onderling Belang sluit de deuren, maar het werk gaat door. De huuropbrengsten van de winkels komt ten bate van de Lissese gemeenschap. De historie begon in 1918.

door S. Smakman

Nieuwsblad Jaargang 5 nummer 3, juli 2006

.

Huuropbrengst winkels ten bate van Lissese gemeenschap

Coöp Cooking op de hoek van de Kapelstraat en de Kanaalstraat. Dit gemeentelijk monument is reeds verhuurd aan een Lissese ondernemer

Om maar meteen het grootste misverstand uit de wereld te helpen: met de sluiting op 1 juni van dit jaar is de Coöperatie Onderling Belang géén verleden tijd. Maar, beaamt secretaris René Elfering meteen, in de beleving van de Lissers komt op die dag wel degelijk een einde aan een historie die begon op 27 september 1918. ‘Met het vermogen van de meubelzaak en de luxe kookwinkel, kunnen we nu dingen gaan doen in de geest van de oprichters.’

Vlak voor het einde van de Eerste Wereldoorlog – ‘Waarschijnlijk in de kermisweek,’ grapt voorzitter Kees van der Zwet – kreeg Lisse zijn Rooms-Katholieke UA (die letters staan voor uitgesloten aansprakelijkheid) Onderling Belang. De plaats van vestiging was een klein winkeltje in de Kapelstraat. Die plaats heeft de coöperatie nooit meer verlaten, ook al beschikt de winkel daar sinds jaar en dag over 1200 vierkante meter.
De coöperatie, zegt Van der Zwet, kwam niet zozeer voort uit de angst van de confessionele zuilen voor het socialisme, waartegen via het opbouwen van eigen zuilen een solide tegenmacht moest worden geschapen, maar kwam eerder overgewaaid uit Engeland. Daar bloeiden de verbruikscoöperaties op waarmee de arbeiders een einde wilden en konden maken aan de gedwongen winkelnering. De arbeiders werden daar door hun werkgevers niet zelden verplicht om hun salaris bij bepaalde winkels te besteden.
Van der Zwet: ‘Die coöperaties zorgden ervoor dat de arbeiders zich vrij konden bewegen. En je moet het zien in de tijd: in die tijd paste het coöperatieve denken. Dat zie je aan bijvoorbeeld de kredietcoöperaties, wat de enige manier was om geld bij elkaar bij te krijgen. En in de agrarische wereld zie je de coöperatieve veilingen opkomen.’

‘In Nederland,’ zegt Henk Elfering – zoon van oprichter Hein Elfering en 39 jaar actief geweest in het bestuur van Onderling Belang – ‘was het idee achter de verbruikscoöperaties vooral: een tegenwicht te vormen tegen het grootwinkelbedrijf dat langzaam maar zeker opkwam: Albert Heijn, De Gruijter en de Spar.’
Voor een paar gulden kon je lid worden. Dat was niet voor iedereen direct te betalen in een tijd waarin een volwassen man met 6 of 7 gulden in de week thuis kwam en daarvan een groot gezin van moest onderhouden. Daarom was er mogelijkheid om in termijnen te betalen. Langzaam maar zeker kwam dat geld terug, herinnert Henk zich: ‘Er stond een grote kast op kantoor en daar werden alle bonnen van de kassa ingedaan. Aan het einde van het jaar werden de bonnen opgeteld en ieder lid kreeg dan een dividend van 1, 2 of 3 procent over het geld dat hij in de winkel had besteed. Iedereen kon kopen, maar alleen de leden kregen dat dividend uitgekeerd.’
Maar er gebeurde meer. Op een gegeven moment deed het bestuur het voorstel aan de leden om de Agathakerk een beeld cadeau te doen van Sint Nicolaas. Een paar leden waren daarop tegen: de kerk was al mooi genoeg en bovendien ging dat ten koste van de winst en daarmee van het dividend. Uiteindelijk is het beeld er ook nooit gekomen: de toenmalige pastoor wilde het beeld alleen aannemen als de leden daar met algemene stemmen achter stonden. Ondanks de oorlog ging de coöperatie door. Henk: ‘Ik herinner me nog hoe er een juffrouw de hele dag niets anders deed dan bonnen plakken. Met de volgeplakte vellen gingen we dan naar de distributie om nieuwe voorraad te halen. Ik weet nog wat een feest het was toen aan het einde van de oorlog het Zweedse wittebrood werd uitgedeeld.’

Jaren vijftig en zestig: bloeiperiode

De echte bloeiperiode van de coöperatie ligt in de jaren vijftig en zestig. In die tijd van de wederopbouw leefde het coöperatieve denken nog volop en waren de zuilen nog volledig intact. De protestanten hadden bijvoorbeeld hun eigen coöperatie Ons Belang aan de Heereweg. Na de manufacturenhandel en de kruidenierswaren had Onderling Belang een bakkerij, een steenkolenhandel en uiteindelijk de tot op de dag van vandaag bestaande meubelhande. Dat laatste was overigens geen bewuste keuze, vertelt Henk: ‘In die tijd hadden de chef van de manufacturenwinkel en de tweede man een probleem met elkaar en daar moest een oplossing voor komen. Toen zijn ze met meubelen begonnen. In een weekeinde werden een paar wanden in het pand getimmerd en vervolgens verkocht de coöperatie meubelen.’
In die hoogtijdagen telde Onderling Belang 1900 leden: vrijwel alle katholieke arbeiders in Lisse waren lid. Maar toen braken de jaren zestig aan. Het streng gereguleerde Nederland ging op de schop. Het coöperatieve denken maakte plaats voor meer individualisme, de welvaart nam toe en een paar loongolven overspoelden Nederland. Mijnders begon een zelfbedieningszaak in de Kanaalstraat (‘Wat van Mijnders komt is goed.’) en een paar jaar later werd de aardgasbel bij Slochteren werd ontdekt. De steenkolenhandel verdween en de opkomst van de supermarkten werd onderschat.
Van der Zwet: ,,We hebben heel laat ingeschoven op de zelfbediening en daarmee hebben we de slag gemist. Maar los daarvan: de winkel was er ook niet geschikt voor.’’
René, de derde generatie Elfering in Onderling Belang die zes jaar geleden aantrad in het bestuur, toen er alleen nog meubelen werden verkocht: ‘Het punt is dat we zijn begonnen met een aantal klanten en dat we met die klanten zijn meegegaan. Een van de eerste vragen die ik stelde bij mijn aantreden was: wat is de doelgroep van de coöperatie? Ik kreeg te horen: 40 procent van onze klanten zit in Berkhout. Dan moet er een bel gaan rinkelen en moet je je afvragen: ben ik wel goed bezig? Een van de eerste dingen waar ik ook achter kwam: de klant had al besloten om te gaan kopen voor dat hij bij de coöperatie binnenstapte. Dat is wel leuk, alleen: hoeveel klanten komen op die manier binnen?’

Mondigheid van de klant

Henk: ‘Ik woon in Vorstenhove. Als je ziet hoeveel meubel- en andere leveranciers daar komen en waar die vandaan komen…. niet uit Lisse in ieder geval. Paul Windt heeft er een showappartement ingericht. Als hij twee of drie appartementen heeft geïnstalleerd, dan is het op.’
René: ‘De mondigheid van de klant is ook toegenomen. Vroeger ging je naar de coöp, je kocht daar je hele interieur en twintig jaar later kocht je er een nieuw interieur. Je ouders deden dat, dus jij deed dat ook. Dat was normaal.’’
De coöp moest dus veranderen, vond het bestuur. De etalage van het bedrijf, het pand op de hoek Kanaalstraat-Kapelstraat, moest de entree worden van de grote winkel. René: ‘We hebben daar wel veel aan gedaan door verbouwingen en interieur-aanpassingen. Cooking had puur als doel om meer klanten te trekken. Het zou de entree worden van de grote winkel, ooit. Maar hoever moet je gaan als je vier, vijf jaar geen zwarte cijfers draait? Dan moet je de beslissing nemen om door te gaan met de lijn die je eigenlijk al vele jaren had: activiteiten afstoten. Waarbij het schrijnende in dit geval is dat het de laatste zichtbare activiteit is. En het is natuurlijk heel schrijnend voor de mensen die er werken. We hebben voor negen mensen ontslag moeten aanvragen, maar gelukkig heeft een aantal van hen al weer een andere baan gevonden.’

Coöperatie blijft actief

Maar het einde van de meubelzaak en de cooking-afdeling, benadrukt hij, is níet het einde van de coöperatie zelf. ‘We kunnen nu dingen gaan doen in de geest van de oprichters.We hebben nu vastgelegd dat het vermogen in de winkelpanden niet verder wordt aangetast en dat we met die winkeloppervlakte weer geld kunnen generen en dat weer ter beschikking kunnen stellen aan de gemeenschap voor bepaalde doelen.’
Niet aan de leden, zoals weleer, zegt Van der Zwet: ‘Waar alle coöperaties mee zitten, ook bijvoorbeeld de Rabobank, is dat je het contact met je leden langzaam bent kwijtgeraakt. Al jarenlang is er geen uitkering meer geweest aan de leden en vanaf dat moment is de band ook steeds losser geworden. Ook als je kijkt naar de ledenvergaderingen: het is voornamelijk personeel dat er zit. Officieel zijn er 200 leden, maar ook van een grote groep weten we niet weten of ze nog leven. Het lidmaatschap vererft wel naar de partner, maar niet naar de kinderen.’

Bijdrage aan de gemeenschap

Hoe het geld teruggaat naar de gemeenschap, is volgens Elfering en Van der Zwet iets waar het bestuur zich de komende tijd over zal gaan buigen. Van der Zwet: ‘Daarbij moeten we denken: wat is in de geest van de oprichters? Dat kan iets wezen op het gebied van ouderen of van de jeugd. Maar het kan ook best zijn dat je ergens een bijdrage kunt leveren aan het dorp. Maar laten we eerst maar eens zorgen dat de zaak gezond is.’