’t Roemwaard Lisse: Meer en Duyn (35)
Door Alfons Hulkenberg
Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse
Het is niet zeer gemakkelijk deze schildering te localiseren, maar als hij gemaakt is vanaf de duinen van Veenenburg met links het Haarlemmer Meer, dan blijft ons weinig keus. Geheel rechts is dan de boerderij van Zandvliet, naar de eigenaar, de heer Marinus Temminck, later ook “Marinus” genoemd en links daarvan het huis Wildlust (blz. 60). In het midden ziet men de ambachtskorenmolen “De Korenbloem” aan de Gracht, al lijkt hij wel wat groot. De watermolen staat aan de Lisser Beek bij het meer achter het reeds gesloopte Merenburgh. Hij diende voor de bemaling van de Lisserbroekerpolder aan de andere zijde van de Zandsloot. De “wijze polderheren” hebben namelijk de Lisser Broek (moerasland) bedijkt. Jan de Graaff noemt dit een “nuttig ding”. Zijn vader heeft hier zijn tuinderijen en het “bevrijdt den bouwman” van wateroverlast en schade. Maar Jan kan toch niet nalaten op te merken, dat “’t is tot bruikers lasten”, m.a.w. dat de ingelanden moeten betalen!
Nog meer naar links stond tot 1812 de hofstede Meer en Duyn. Reeds omstreeks 1500 had de Leidse poorter Claes Willemsz hier “enen woninge mitter huizinge, bloemen en potinge”. In 1505 droeg hij dit -mogelijk wegens financiële zorgen — op als “leen” aan Jhr. Albrecht van den Raaphorst te Wassenaar. In 1552 vinden wij hier Willem Jansz, poorter van Haarlem, die het verkoopt aan zijn schoonvader Pieter Saling. De erven Saling dragen het in 1544 over aan de Haarlemse burgemeester Henrick van Wamelen (± 1616). Diens dochter Katherijne huwde met Mr. Herebert Stalpaert van der Wiele, rentmeester-generaal van Kennemerland en hoogheemraad van Rijnland. Zij hebben waarschijnlijk “de woning en landen met huis, schuur, (hooi)berg en geboomte en zijnen toebehoren, groot zijnde omtrent vijf mergen” als zomerverblijf gebruikt. Nu vererfde Meer en Duyn via het geslacht De Nobelaar op Jhr. Diederik Ramp, die echter geenszins met fortuin gezegend was. In 1711 werd zijn insolvente boedel verkocht aan Willem Adriaan van der Stel, de eigenaar van Uytermeer (blz. 4). Deze kocht de hofstede voor zijn zoontje Willem Adriaan Jr., maar omdat deze jong stierf, kwam ze in het bezit van diens broer Simon, geboren te Amsterdam in 1692. Simon werd een deftig man; hij bezat een koets met twee paarden, een overdekt zeiljacht en een jaarlijks inkomen van ƒ 5 a ƒ 6000. Op een ander punt was hij niet zo deftig: in 1759 trouwde hij ter wettiging van zijn zoon Willem met Catharina Keyser, de vier en dertig jaar jongere dochter van een Amsterdamse droogscheerder. Tot 1790 bleef Meer en Duyn in het bezit der familie Van der Stel. Korte tijd behoorde het daarna aan Carolina S.L.F, gravin van Gronsveld, maar in 1793 wordt het eigendom van Prof. Dr. Lambertus Bicker (1732-1801), gehuwd met Joanna G. Caarten. Hij had in Leiden medicijnen gestudeerd en was later arts in zijn geboortestad Rotterdam. Sinds 1787 bekleedde hij aldaar het professoraat-honorair in de medicijnen en in de physica en was eerste secretaris van het Bataafs Genootschap der Proefondervindelijke Wijsbegeerte. In 1794 heeft Prof. Bicker zich voor goed gevestigd op “de Buitenplaats Meer en Duijn”, maar ook daar bleef hij zich “lenen tot consultatiën en het doen van inentingen”.
Op 15 juli 1801, kort voor zijn dood nam Prof. Bicker afscheid van zijn geliefd bezit. Op genoemde dag verkocht hij de hofstede met deszelfs stallingen, koetshuis, tuinmanswoning, koepel aan de Herenweg, bossen, platagiën, tuinen en omrasterde duinen aan de overzijde van zijn hofstede voor ƒ 23500 aan de heer Jacob E. Smissaert te Amsterdam. Deze werd in 1812 in het bezit opgevolgd door Christiaan Stumphius, makelaar te Beverwijk. En dan is het spoedig afgelopen. Hendrik Nieuwenhuis, tuinder, koopt de hofstede. Het huis wordt gesloopt, kort daarop ook de koepel en het “Engels plantsoen.” Later vindt men hier slechts bloembollen, met zorg gekweekt door de vele nazaten van Hendrik Nieuwenhuis. Jan de Graaff komt nu van Zandvliet naar Meer en Duyn gelopen.
Ik ga heen
Naar Meer en Duyn, deez’hofstee, die gemeen
Ligt aan het meer, welk met de groene zomen
Des dijks staag dartelt. Zo is zijn kracht benomen
Wanneer Aeool, zo ’t schijnt als ligt in rust,
Terwijl de stroom, als boetende zijn lust
Aan ’t groene lies,l en kabbelde zachtjes
Omhelst het dus met aangename lachjes,
Terwijl de rug met vaartuig is gedekt,
Hetwelk het oog tot veel vermaak verstrekt.
Maar ik wil straks de Zandsloot overkeren
En zien, hoe dat onz’ wijze polderheren
De Lisser Broek hebben gemaakt bedijkt,
Waar voor het ongetoomde water wijkt.
Een nuttig ding, schoon ’t is tot bruikers lasten
Van sommigen; nochtans zo zal ’t de kasten
Opvullen weer, dus moet geprezen zijn
Dat grote werk, hetgeen tot algemein
Genot is en door hare wijze raden
Den bouwman vrijdt van lasten en van schaden.
Zie Dr. J. Belonje, Meer en Duijn te Lisse, Leids Jaarb. 1951 blz. 110 e.v. met verwijzingen aldaar en naschrift van Mr. R. van Roijen.
1 Lies, lisbloem, gele waterlis. Dit is tevens een toespeling op de rederijkerskamer “De Liesbloem”, waarvan Jan de Graaff lid was.
2 De kleurige Keukenhof, blz. 54.

35. “Veenenburg, van de Hooge Duin op het meer te zien”, 1830. Aquarel van A.J. Eymer (Amsterdam 1803 – Haarlem 1863)



